Op reis met Byron

Tessa de Loo: Een varken in het Paleis. De Arbeiderspers, 265 blz. ƒ 34,90

Lord Byron was verzot op reizen, omdat het een alternatief betekende voor zelfmoord. Dat beweert althans de Franse schrijver Gabriel Matzneff in zijn boek La diétetique de Lord Byron (1984).

Tessa de Loo reisde Byron achterna. Ze citeert Matzneff instemmend. Over haar eigen reislust schrijft ze dat het een manier is 'om dichter bij die ene waarheid te komen', namelijk: 'dat leven gevaarlijk en veranderlijk is en dat ik mijn lot lot niet ken'. Byron reisde jaren, De Loo acht dagen, maar het gaat in beide gevallen om een confrontatie met de eigen sterfelijkheid. Tegenwoordig gaan mensen ook wel bungyjumpen om dat effect te bereiken.

Een varken in het paleis is een verslag van een reis door Griekenland en Albanië in de herfst van 1996 in de voetsporen van Byron, die deze tocht in 1809 ondernam. Kennelijk was De Loo uit op het soort originele ervaring dat Huizinga typeerde als 'historische sensatie', maar dat is een gevoel dat iemand onverhoeds overvalt bij een verrassende confrontatie met het verleden. Een poging om een dergelijke sensatie te organiseren, kunstmatig teweeg te brengen, houdt een gevaar in. Als de zo nadrukkelijk gezochte ervaring niet authentiek is, klinkt dat in de beschrijving door. 'Waarom was de confrontatie met de verdwenen wereld pijnlijk? Was het mijn eigen sterfelijkheid die me hinderde?' En: 'Heel erg doordrongen van mijn eigen sterfelijkheid verliet ik het museum.' Dat zijn clichés - een romanschrijfster van het formaat van Tessa de Loo onwaardig.

Haar zoektocht voert De Loo naar Tepelenë in Albanië, waar Byron indertijd luxueus werd ontvangen door de wrede Turkse despoot Ali Pasja. De reisbeschrijving biedt het kader voor een verhaal waarin ze haar liefde voor de dichter en haar indrukwekkende kennis van zijn leven ten toon spreidt. Voor de 21-jarige Byron was de reis door Albanië een onderdeel van een twee jaar durende Grand Tour, vol gevaren, maar ook vol van ontmoetingen met exotische en invloedrijke figuren. Het 'weekje' Griekenland-Albanië waarin Tessa de Loo, begeleid door een schrijver van reisgidsen en een Albanese professor, zich over het door Byron gebaande pad naar de ruïnes van Ali Pasja's paleis begeeft, steekt daar nogal pover bij af.

Daarom kon ze niet volstaan met een reisbeschrijving, al slaagt ze erin de naargeestigheid van het door het communistische regime van Dilla de Lelijkerd en Sorra de Kraai (bijnamen voor Enver Hoxha en zijn gemalin) verpeste land afschrikwekkend te schilderen. De tocht is uitputtend en deprimerend. Weliswaar zijn er bij tijd en wijle oogverblindende landschappen, maar De Loo zegt eerlijk dat ze die niet kan beschrijven en liever foto's neemt.

Om haar bevindingen maximaal te benutten heeft ze gekozen voor een ingenieuze vorm. Lange persoonlijke brieven aan Byron over de verschillen tussen haar reis en de zijne wisselt ze af met kortere hoofdstukken vol biografische bijzonderheden over de Lord, citaten uit brieven van hem en passages uit het gedetailleerde verslag dat Byrons reisgezel John Cam Hobhouse van de tocht maakte. De Loo staat op intieme voet met Byron: 'Mijn beste George', 'Mijn allerbeste vriend'. In een lange brief die als voorwoord dient, vertelt ze hem hoe ze als zestienjarig schoolmeisje in vervoering was geraakt door zijn portret in haar Engelse literatuurboek. Na de val van de Berlijnse muur kwam ze dat portret weer tegen, nu in een reisgids van Albanië waarin tevens een brief was opgenomen van Byron aan zijn moeder met een verslag van zijn bezoek aan Ali Pasja. 'Ik wilde nog maar een ding: met je mee. Ook ik wilde bij Ali Pasja op bezoek, als schim uit een toekomstig tijdperk, als voyeur, als nostalgicus.'

Een varken in het paleis (de titel slaat op het enige levende wezen dat ze tussen de ruines van Ali Pasja's paleis aantrof), is geen roman maar ook geen reisliteratuur in enge zin. Je zou het een fragmentarische biografie kunnen noemen, waarin de schrijfster zichzelf een actieve rol toebedeelt en via een queeste naar de gebiografeerde zichzelf zoekt. De puur biografische stukken zijn veruit de beste: erudiet en onderhoudend. De Loo heeft een scherp oog voor details, kiest mooie citaten en houdt van anekdotes die ze goed weet te plaatsen. Haar lichamelijke ongemakken tijdens de reis grijpt ze bijvoorbeeld aan voor een relaas over Byrons indigestie als gevolg van zijn vreemde eetgewoontes. Op achttienjarige leeftijd woog hij met een lengte van een meter zeventig ongeveer 100 kilo en om zijn vetzucht te bestrijden volgde hij een louter plantaardig dieet. Bij een autopsie na zijn dood op zesendertigjarige leeftijd bleek dan ook dat hij - als gevolg van een ernstig gebrek aan kalk en mineralen - botten had als van een tachtigjarige.

De hoofdstukken in briefvorm, bestaande uit reisbeschrijvingen en autobiografische bespiegelingen zijn minder trefzeker. 'De tocht kreeg een extra intensiteit, het leek of iets in de atmosfeer de herinnering aan jou had vastgehouden, alsof je op een of andere manier nog aanwezig was in de rotsen, bomen en planten die we passeerde.' Woorden schieten De Loo tekort: 'iets, op een of andere manier', roept vragen op als 'wat precies, op welke manier dan?'

Byron schreef na zijn bezoek aan het paleis van Ali Pasja het beroemde epische gedicht 'Childe Harold's Pilgrimage'. Het grote succes van dit werk is volgens Tessa de Loo te danken aan het feit dat de dichter zijn eigen persoon in het geding bracht, verwisselbaar met zijn door introspectie gekwelde held. Het ligt voor de hand dat De Loo, die het verhaal over Byron op haar beurt voor introspectie gebruikt, eveneens naar verwisselbaarheid heeft gestreefd. Gelukkig wordt deze Byroniaanse pretentie gerelativeerd met de nodige zelfspot en knipogen naar de hedendaagse meelezers van de brieven aan haar held.