Moe

“Ik ben zó moe...” zei de zandmuis. Hij zat in een hoek van zijn kamer, midden in de woestijn. Tegenover hem zat de eekhoorn, die bij hem op bezoek was.

“Ik ben zó verschrikkelijk moe, eekhoorn”, zei de zandmuis opnieuw.

De eekhoorn zweeg.

De zandmuis keek hem even aan. “Je wilt zeker weten hoe moe”, vroeg hij.

“Ik...”, zei de eekhoorn. Hij had daar helemaal niet over nagedacht.

“Jawel, jawel!” riep de zandmuis. “Je wilt dat heel graag weten!”

Hij sprong op en greep de eekhoorn beet. “Ga maar mee”, zei hij. Hij trok de eekhoorn met zich mee, zijn huis uit.

Achter het huis stond een enorm zwart rotsblok. De zandmuis wees ernaar. “Zo moe ben ik”, zei hij.

“Zo moe?” zei de eekhoorn en hij keek met grote ogen naar de reusachtige steen.

“Ja”, zei de zandmuis. “Precies zo moe.”

Hij vertelde dat hij het rotsblok midden in de woestijn had gevonden.

“Opeens wist ik het: zó moe ben ik”, zei hij. “Toen heb ik het hierheen gezeuld. Nu kan ik altijd zien hoe moe ik ben.”

De eekhoorn keek hem vol ontzag aan. De zandmuis was inderdaad dus héél moe. Het rotsblok rees zwart en somber hoog boven het huis uit.

“Waarvan ben je eigenlijk moe?” vroeg de eekhoorn.

“Van nadenken”, zei de zandmuis. “Ik heb zóveel nagedacht... Ik kan niet meer.”

Hij zuchtte.

“Ik zucht”, zei hij. “Zie je wel.”

Ze gingen naar binnen. De zandmuis was te moe om thee te zetten. Hij liet de eekhoorn zien hoe hij uitrustte: op zijn tenen, met zijn hoofd in de grond, met zijn benen om zijn nek, of in een soort knoop ondersteboven tegen de muur.

De eekhoorn wist niet dat je op zoveel manieren kon uitrusten en schudde telkens zijn hoofd van verbazing.

De ogen van de zandmuis glinsterden, terwijl hij zich oprolde, op één been stond en vervolgens aan de lamp aan zijn plafond heen en weer slingerde.

“Zo uitrusten is heel moeilijk, eekhoorn”, riep hij.

Hij viel op de grond, maar sprong meteen weer op. Er zat een bult op zijn achterhoofd.

De eekhoorn zei dat hij weer ging.

De zandmuis knikte, maar hij was te moe om de eekhoorn een goede reis te wensen of om te vragen of hij nog eens terugkwam.

“Ik hoop dat je gauw minder moe bent, zandmuis”, zei de eekhoorn in de deuropening.

“Ik weet het niet, ik weet het niet...”, zei de zandmuis en hij liet zich op zijn bed vallen en keek de eekhoon met lodderige ogen aan.