Met ongelijke munt; Nieuwe visie op de Nederlandse muntgeschiedenis

M.S. Polak: Historiografie en economie van de muntchaos. De muntproductie van de Republiek (1606-1795). Neha, Nederlandsch Economisch-Historisch Archief- series III, 312 blz. ƒ 55,– (los verkrijgbaar). Deel II, bijlagen 224 blz. samen met deel I, ƒ 75,–

Generaties historici hebben zich afgevraagd hoe de Nederlandse Republiek in de zeventiende eeuw kon uitgroeien tot de belangrijkste handelsmacht in de wereld terwijl in dezelfde periode zoveel factoren in haar nadeel werkten. De langdurige, kostbare onafhankelijkheidsoorlog met Spanje, de interne verdeeldheid tussen de provinciën, het ontbreken van een grondwet en een grote thuismarkt. Die vormen niet direct de ideale uitgangspositie voor een Gouden Eeuw.

De vraag die ten grondslag ligt aan een onlangs verschenen boek over de geldproductie in de Republiek is een variatie op dat thema. In de zeventiende en achttiende eeuw waren er in de Nederlandse gewesten buitengewoon veel soorten munten in omloop. De combinatie van deze monetaire chaos en het commerciële succes van de jonge staat is geen logische. Een goed functionerend geldstelsel is immers het smeermiddel van de handel, en een belangrijke voorwaarde voor het succes ervan.

In het proefschrift Historiografie en economie van de muntchaos besteedt de historicus M.S. Polak aandacht aan het verband tussen politiek en de muntcirculatie. Toen in 1581 de Staten-Generaal met het Plakkaat van Verlatinge hun trouw aan Filips II hadden opgezegd viel het centrale gezag in de Republiek weg. Politieke besluiten werden genomen in een moeizaam samenwerkingsverband, waarbij de provincies zoveel mogelijk van hun eigen soevereiniteit probeerden te behouden. Dit had gevolgen voor de muntproductie. Een krachtig centraal gezag was wellicht in staat geweest de productie te concentreren. Nu bleef het plaatsvinden in stedelijke en provinciale munthuizen; een erfenis uit de middeleeuwen. Rond 1600 sloegen niet minder dan dertien steden, van Groningen tot Middelburg, muntgeld.

De provinciale en stedelijke overheden mochten dan de eigenlijke bezitters van het muntrecht zijn, het bovengewestelijke gezag speelde bij de muntslag een betekenisvolle rol. Polak beschrijft hoe de centrale bestuursorganen - de Staten-Generaal als hoogste wetgever en de generaliteits-muntkamer als adviescollege en controle-apparaat - het muntrecht feitelijk hadden uitgekleed tot een financieel belang. Het belangrijkste wat de bezitters van het muntrecht restte was de ontvangst van de muntbelasting, de zogenoemde sleischat.

In de muntordonnantie van 1606 legden de Staten-Generaal nieuwe regels vast voor de productie van uniforme munttypen, de generaliteitsmunten. De ordonnantie bepaalde onder meer hoeveel edelmetaal de munten moesten bevatten en de koers waartegen ze circuleerden. De nominale waarde van deze munten, de gouden rijders en dukaten en de zilveren rijksdaalders, leeuwendaalders en tienstuivermunten, varieerde van een halve gulden tot tien gulden. Voor het kleingeld, het payment, waren de regels minder stringent.

De muntordonnantie voorkwam dat elk munthuis zijn eigen soort munten sloeg. Maar het voorschrift om alleen generaliteitsmunten te produceren betekende niet dat geen ander geld mocht circuleren. In de ordonnantie werden talloze buitenlandse munten genoemd, waarvan de circulatie tegen een bepaalde koers was toegelaten. Ook circuleerden er munten die vroeger waren geproduceerd en vervalsingen. Vroegmoderne financiële dienstverleners als geldwisselaars en wisselbanken verdienden een dikke boterham aan dit onoverzichtelijke geldwezen.

Zo deponeerden Amsterdamse kooplieden de heterogene munten die ze bij hun transacties ontvingen bij de Wisselbank (1609) in de kelders van het stadhuis op de Dam. Over dat geld konden zij op termijn beschikken, hetzij in de vorm van een tegoed, hetzij in de vorm van betrouwbare generaliteitsmunten. Eveneens kon de Wisselbank tegoeden overschrijven van een rekening naar de andere; de geboorte van het moderne girale betalingsverkeer. Voor de dienstverlening moest uiteraard wel worden betaald.

Daarnaast bestond het probleem van de zogenoemde demonetisering. Omdat generaliteitsmunten hoger werden gewaardeerd dan hun officiële koers, onttrokken de gebruikers ze aan de circulatie. In het buitenland, waar de koers niet gold, waren de munten meer waard. Voor binnenlandse betalingen werden 'minderwaardige' munten verkozen. Zo verdrongen in de jaren twintig en dertig Zuidnederlandse dukatons en patagons de Noordnederlandse rijks- en leeuwendaalders gedeeltelijk uit circulatie. Een hele reeks koersverhogingen en munthervormingen in de zeventiende eeuw brachten nauwelijks verbetering in de muntcirculatie.

De auteur gaat de polemiek niet uit de weg. Het ontbreken van een samenhangende visie op het muntwezen wijt hij aan de mate waarin de bestaande literatuur steunt op het gebrekkige werk van 'de godfathers van de Nederlandse muntgeschiedenis' J.G. van Dillen en H.E van Gelder. Het oeuvre van de eerste lijdt aan 'een gebrek aan cijfermatige onderbouwing, vaak ontbrekende annotatie en de afwezigheid van elke conceptie'.

Van Gelder wordt ontmaskerd als een historicus die de geschiedenis door nationale bril bekijkt en de geldproductie in de stedelijke en provinciale munthuizen op deze grond afkeurde. Polak noemt de waardeoordelen die voortkomen uit zijn moreel geladen nationale perspectief 'ronduit irritant'.

Een dergelijke kritische benadering is veelbelovend. Het proefschrift lijkt af te stevenen op een kraakheldere, nieuwe visie op het muntwezen van de Republiek. Polak maakt vooral bezwaar tegen de gedachte dat de handelshegemonie van de Republiek tot stand kwam ondanks de monetaire chaos, die in de bestaande literatuur vrijwel niet ter discussie staat. Polak wijst daarentegen op de voordelen, die het muntstelsel de handelsnatie opleverde. De generaliteitsmunten waren door hun hoge edelmetaalgehalte gewild in het buitenland. De lage binnenlandse koers stimuleerde de export (lees: het gebruik in de internationale handel). Het nadeel dat er binnen de grenzen van de Republiek 'onvolwaardige' munten circuleerden, werd op de koop toe genomen.

Het probleem van het muntwezen in de Republiek was er een van conflicterende belangen, aldus Polak. De internationaal georiënteerde kooplieden hadden belang bij de productie van munten, die bruikbaar waren om hout in het Oostzeegebied te kopen, wol in Engeland, specerijen in de Oost en tabak in de West. Degenen die slechts op de binnenlandse markt opereerden, werden getroffen door het nadeel van de hoge transactiekosten als gevolg van de chaotische circulatie.

Dat levert een interessante parallel op met de nabije toekomst. De euro, die over enkele maanden door de elf landen van de Economische en Monetaire Unie wordt ingevoerd, is voordelig voor het bedrijfsleven dat internationaal zaken doet. Degenen die gebruik maken van het binnenlandse betalingsverkeer profiteren niet (direct) van de voordelen, maar maken wel kosten bij de voorbereiding voor de nieuwe munt. Dat de invoering van de euro doorgang vindt lijkt Polaks idee, dat de belangen van het internationale handelsverkeer boven binnenlandse circulatiegemak gaat, te bevestigen.

Polaks these is dan ook zeker geen onwaarschijnlijke. Het materiaal waarmee hij haar ondersteunt overtuigt echter niet helemaal. Dat is niet te wijten aan een magere onderbouwing. Eerder het tegendeel. De auteur geeft een volledig beeld van het muntstelsel, waarbij uitgebreid aandacht wordt besteed aan de economische context, de kosten van de muntproductie en de controle op de munthuizen. Maar het overzicht raakt zoek door de manier waarop de lezer vanaf de eerste zin wordt overstelpt met gortdroge gegevens, complexe redeneringen en een overmatig gebruik van allerlei auteurs, die ooit iets over het onderwerp hebben gezegd. Dat zal veel lezers er toe bewegen het boek ongelezen in de kast te zetten, als naslagwerk. Het ontbreken van een register maakt het daarvoor overigens ongeschikt.

Daar staat tegenover dat Polak het heeft aangedurfd om een eenzijdig belicht thema eens van de andere kant te bekijken. Het werk is daarmee een bewonderenswaardige, maar slechts gedeeltelijk geslaagde, poging duidelijkheid te scheppen in het muntwezen van de Republiek. Het uitbrengen van een handelseditie van dit proefschrift getuigt van optimisme. Waarschijnlijk hoopt de uitgever op de belangstelling van de 85.000 muntverzamelaars in Nederland. Dat lijkt wegens het karakter van het werk toch wat hoog gegrepen.