Illegaal in het Stedelijk; Buitenlandse kunstenaars in Nederland

Nederlandse kunstacademies en galeries zijn rijk aan buitenlandse invloeden. Jonge kunstenaars van elders prijzen het kunstklimaat vanwege de financiële mogelijkheden en de openheid van geest. “Nederlandse kunstenaars zijn de best verzorgde kunstenaars ter wereld.”

Power Up, installaties van o.a Gillion Grantsaan, Moshekwa Langa, Federico D'Orazio, Keiko Sato en Alicia Framis. 12 september t/m 15 november in het Museum voor Moderne Kunst, Utrechtseweg 87, Arnhem. Di t/m vr 10-17 uur, za. en zo. 11-17 uur. Een presentatie van Galerie Fons Welters met werk van o.a. Matthew Monahan in de Paviljoens, Odeonstraat 5, Almere. 11 september t/m 1 november, di t/m zo 12-17 uur. Danglebberry, met werk van o.a. Lars Arrhenius, Otto Berchem, Bill Breckenridge, Una Henry en Karen Murphy. 20 t/m 29 november (23 en 24 november gesloten), Rozengracht 207 C, Amsterdam. Dagelijks 12-18 uur. In het septembernummer van het tijdschrift 'Blvd.' is een artikel gewijd aan het project 'Make Over' van Otto Berchem.

De Amerikaan Matthew Monahan (1972) is waarschijnlijk een van de jongste kunstenaars die ooit een solotentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam mocht inrichten. Net klaar met zijn tweejarige opleiding aan de Ateliers in Amsterdam, kon Monahan in september 1996 de inboedel van zijn atelier in één keer verhuizen naar de tentoonstellingszalen van het hoofdstedelijke museum. Ook de Zuid-Afrikaanse kunstenaar Moshekwa Langa (1975), die momenteel aan de Rijksakademie in Amsterdam studeert, had zich een slechter debuut in de Nederlandse kunstwereld kunnen voorstellen: hij stelde de afgelopen zomermaanden een expositie van zijn werk samen in een van de zalen van Museum Boijmans Van Beuningen.

De laatste jaren is het aantal buitenlandse kunstenaars dat naar Nederland komt om hier te studeren of werken flink gegroeid. Nederlandse kunstacademies en post-doctorale opleidingen als de Jan van Eyck Akademie en de Rijksakademie hebben een grote aantrekkingskracht op jonge kunstenaars uit het buitenland. Op de Rietveld Academie in Amsterdam is veertig procent van de studenten afkomstig uit het buitenland en zijn kunstenaars van maar liefst vijftig verschillende nationaliteiten ingeschreven. Onder hen zijn ook veel kunstenaars met een vluchtelingenstatus, afkomstig uit landen als Iran, Irak en voormalig Joegoslavië. Op andere kunstacademies liggen de percentages iets lager, maar ook daar is een stijgende trend te zien in het aantal buitenlanders en vluchtelingen dat zich inschrijft. Velen van hen proberen na het afronden van hun opleiding een verblijfsvergunning te krijgen om zo in Nederland aan hun verdere carrière te werken. Dat zij daarin redelijk succesvol zijn, blijkt uit het belangrijke aandeel van buitenlandse kunstenaars op tentoonstellingen in Nederlandse musea en galeries.

Matthew Monahan kwam in Nederland terecht via een uitwisselingsprogramma tussen de New Yorkse Cooper Union en de Rietveld Academie. Hier hoorde hij over de opleiding van de Ateliers, een internationale vervolgopleiding die kunstenaars een onderkomen, een eigen atelier en een stipendium voor levensonderhoud biedt. In de Verenigde Staten bestaat een dergelijk artists-in-residence systeem niet en aangezien de post-academische opleidingen in Amerika onbetaalbaar zijn, besloot Monahan na zijn afstuderen aan de Cooper Union terug te keren naar Amsterdam om zich aan te melden bij de Ateliers. “Ik wist eigenlijk erg weinig van de Nederlandse kunstwereld toen ik hier naartoe kwam en ik kende ook geen van de begeleiders bij de Ateliers”, vertelt de Amerikaan. “Alleen het werk van Jan Dibbets was me opgevallen in het Stedelijk Museum, omdat hij een van de weinige contemporaine Nederlandse kunstenaars was die in de vaste opstelling te zien was. Ik was erg onder de indruk van zijn perspectivische foto's met witte lijnen in een grasveld en ik weet nog dat ik dacht 'She rocks', omdat ik ervan overtuigd was dat Jan een meisjesnaam was. Pas op de Ateliers kwam ik er achter dat Dibbets een man was. Mijn eerste vraag aan Stanley Brouwn, een andere begeleider op de Ateliers, was 'Are you a painter?'. Toen hij antwoordde 'I don't even know if I'm a human being' wist ik dat ik me hier wel thuis zou voelen.”

Ambassades

Zowel de Rijksakademie als de Ateliers stellen de helft van hun werkplaatsen (respectievelijk zestig en twintig) ter beschikking van buitenlandse kunstenaars, op de Jan van Eyck Akademie in Maastricht wordt zelfs tweederde van de 24 plaatsen ingenomen door buitenlanders. Met advertenties in Engelstalige kunsttijdschriften als Flash Art, Artforum en Frieze, en via websites op Internet wordt de aandacht op de opleidingen gevestigd. In niet-westerse landen horen kunstenaars via brochures van de UNESCO en via de Nederlandse ambassades van het bestaan van de academies. Maar verreweg de meeste kunstenaars komen in Nederland terecht omdat ze via-via gehoord hebben over de luxe faciliteiten van de relatief goedkope - de collegegelden in de ons omringende landen zijn vele malen hoger - Nederlandse opleidingen.

Wat de Ierse kunstenares Karen Murphy (1968) nog het meeste verbaasde was dat ze als buitenlands kunstenaar door een Nederlands bedrijf werd gesponsord om hier te kunnen verblijven en studeren. “De firma Océ-van der Grinten betaalde de kosten voor mijn verblijf en studie. Het was weliswaar geen vetpot, maar in Engeland zou zoiets onvoorstelbaar zijn. Daar zijn ze vrij xenofobisch en wordt alleen Britse kunst gepromoot. Verbazingwekkend vond ik ook de toegankelijkheid van de Nederlandse kunstwereld. Tijdens de Open Ateliers van de Rijksakademie kwamen alle belangrijke museumdirecteuren, galeriehouders en critici langs om naar ons werk te kijken en werden vruchtbare contacten gelegd. Ik heb hier als kunstenaar veel meer kansen dan in Engeland of Ierland. Als je in Londen op je twintigste niet ontdekt bent door Charles Saatchi of de Anthony Reynolds Gallery, zit je vervolgens tien jaar lang in je atelier te zwoegen zonder dat er ooit iemand naar je werk komt kijken.”

Voor veel buitenlandse kunstenaars beginnen de problemen pas na hun opleiding, als ze in Nederland willen blijven. Murphy, die inmiddels een succesvol kunstenaarsduo vormt met de Nederlander Pim (A.P.) Komen, vroeg verschillende malen tevergeefs een verblijfsvergunning aan, en wist die pas te bemachtigen nadat ze een fortuin had besteed aan advocaten. Voor Matthew Monahan was de situatie nog problematischer, omdat hij als niet-Europeaan na het beëindigen van zijn studie onmiddellijk in de illegaliteit verdween. Monahan: “Dat was natuurlijk een idiote situatie. Enerzijds had ik nog maar een paar dagen de tijd om het land te verlaten, anderzijds exposeerde ik in het grootste museum voor moderne kunst in Nederland. Als ik op straat liep dacht ik constant 'als ze mij nu oppakken laat ik de politie gewoon mijn uitnodiging van het Stedelijk zien'.”

Vreemdelingenpolitie

Monahan kan met de verkoop van zijn tekeningen in zijn levensonderhoud voorzien, en was waarschijnlijk nooit in de problemen geraakt als hij zich niet vrijwillig bij de vreemdelingenpolitie had aangemeld. “Ik wilde het netjes doen, braaf mijn belastingen betalen en verzekeringen afsluiten, met als resultaat dat ik onmiddellijk het land moest verlaten. Ik heb alleen deze maand al drie tentoonstellingen, Rudi Fuchs en mijn galeriehouder Fons Welters schreven aanbevelingsbrieven en ik ben zelfs orgaandonor in dit land, maar dat maakt de vreemdelingenpolitie niets uit. Nu zit er niets anders op dan dure advocaten in de arm te nemen en in hoger beroep te gaan.”

Alhoewel Monahan geen aanspraak wil maken op de sociale voorzieningen in Nederland, hebben veel buitenlandse kunstenaars een verblijfsvergunning nodig om in aanmerking te komen voor een stipendium of werkbeurs van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Monahans landgenoot Otto Berchem (1967), die vorig jaar afstudeerde aan de Rijksakademie, is ook verwikkeld in een juridisch gevecht over zijn verblijfsvergunning. Berchem: “Het is net een vicieuze cirkel. Je kunt alleen een startstipendium krijgen als je een verblijfsvergunning hebt, maar je krijgt pas een verblijfsvergunning als je kunt aantonen dat je genoeg geld hebt om van te leven.”

René Pingen van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst geeft toe dat er een gat zit op het gebied van beurzen voor buitenlandse kunstenaars, maar is bezig met een plan voor een duidelijkere subsidieregeling. Er ligt nu een voorstel bij het Ministerie van OC&W waarin ervoor wordt gepleit jaarlijks een beperkt aantal beurzen toe te kennen aan buitenlandse kunstenaars die een bijzondere bijdrage leveren aan de Nederlandse cultuur.

“Nederlandse kunstenaars zijn de best verzorgde kunstenaars ter wereld”, beaamt Otto Berchem, die bekendheid kreeg met zijn performance-achtige Otto Berchem Show, een persiflage op Amerikaanse praatprogramma's. “Voor mijn laatste project 'Make Over' liet ik mensen die ontevreden waren over hun uiterlijk een metamorfose ondergaan en vroeg ik toonaangevende stylisten en ontwerpers mij daarbij te helpen. Ik was echt verbijsterd door de bereidwilligheid van de Nederlandse bedrijven om mee te werken. De stylisten van House of Orange werkten belangeloos mee en kledingmerken als Laundry Industry en Inch gaven pakken van wel vijftienhonderd gulden cadeau. Er heerst hier niet zo'n private gallery-sfeer als in New York, waar ze alleen geïnteresseerd zijn in het verkopen van kunst. Vanwege het beurzenstelsel hoeven kunstenaars hier geen commercieel of productgericht werk te maken, maar daardoor raak je als kunstenaar wel snel het contact met de realiteit kwijt.”

SuperstarsVolgens Bill Breckenridge, een Schotse kunstenaar die al sinds een jaar of acht in Nederland woont, wordt door alle stipendia en kunstprijzen juist een hoop middelmatige kunst in stand gehouden. “Het lijkt wel alsof iedereen in Amsterdam kunstenaar is. Wat ik bij veel kunstenaars hier mis, is de gedrevenheid en passie voor hun werk. De noodzaak om kunst te maken is wat er in Nederland ontbreekt.”

Het meest merkwaardige aan de kunstsituatie in Nederland is volgens Moshekwa Langa het gebrek aan internationaal succes. “Het is toch idioot dat een land dat zoveel geld aan kunst uitgeeft en dat zoveel academies telt, helemaal geen superstars kent? Er zijn wel enkele kunstenaars die bekend zijn in het buitenland, zoals Marlene Dumas, Rineke Dijkstra of Marijke van Warmerdam, maar dat zijn geen grootheden als Damien Hirst. Het is vrij gemakkelijk om beroemd te worden in Nederland, er zijn ontzettend veel plekken om te exposeren en zelfs musea laten werk van jonge kunstenaars zien, maar het succes blijft wel beperkt tot Nederland.”

“Dat is typisch Nederlands”, zegt ook Bill Breckenridge. “Buitenlandse kunstenaars worden met open armen verwelkomd, maar de Nederlandse hedendaagse kunst heeft zelf geen enkele naam in het buitenland.” De Schotse kunstenaar is bezig met de voorbereidingen van een tentoonstelling in zijn atelier aan de Rozengracht in Amsterdam, waar alleen in Nederland verblijvende buitenlandse kunstenaars aan deel zullen nemen. “In eerste instantie wilde ik die tentoonstelling 'Parasites' noemen, maar dat vond ik bij nader inzien toch een erg negatieve titel, alsof wij alleen maar naar Nederland zijn gekomen om van de economische situatie te profiteren. Nu heet de tentoonstelling 'Dangleberry', wat zoiets betekent als achtergebleven stukjes stront.”

De redenen om in Nederland te blijven, blijken voor veel kunstenaars voornamelijk van praktische aard te zijn. Een relatie met een Nederlandse partner, de taal en de centrale ligging van Nederland zijn veelgenoemde redenen om hier hun geluk te beproeven. Monahan: “Amsterdam is gewoon een heerlijke stad om te werken en wonen. In New York voelde ik mij altijd opgejaagd en liep ik voortdurend om me heen te kijken of er geen kogels rondvlogen. Hier voel ik mij altijd veilig en daardoor kan ik veel vrijer werk maken. Als ik weer eens krap zit, krijg ik van andere kunstenaars geld om eten of potloden te kopen. Het eerste jaar woonde ik op een woonboot en ging ik met een roeibootje boodschappen doen of naar de bank. Dat is toch relaxed?”