Geschreven met een camera die er nog niet was; Het filmische oeuvre van P.A. Daum

P.A. Daum schreef zo beeldende over Indische toestanden, dat zijn lezers er rode oortjes van kregen. Zijn heldere stijl is een verademing bij de woordenpraal van tijdgenoten. Zijn romans laten zich lezen als filmscenario's.

P.A. Daum: Verzamelde romans, deel III. Bezorgd door Gerard Termorshuizen. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 1028 blz. Prijs ƒ 69,90 (vanaf 1 december ƒ 80,00).

Nederlandse regisseurs en scenarioschrijvers laten 2500 bladzijden bij uitstek filmisch proza achteloos liggen. Met de verschijning van het derde deel van de Verzamelde romans van P.A. Daum (1850-1898) is niet alleen de literatuur een stuk rijker, frivoler en dramatischer geworden, ook de film moet haar geluk eens beproeven bij deze scenarist avant-la-lettre. In korte tijd, tussen 1883 en 1893, schreef Daum in het voormalige Nederlands-Indië tien romans. Een roman per jaar.

Dat Daum nog steeds gelezen wordt, al ruim een eeuw lang, is te danken aan zijn beeldende, feitelijke en transparante stijl. Hij kiest het standpunt van de toeschouwer, die het doen en laten, feesten en drinken, vrouwen jagen en geld verdienen van de koloniale personages met gepaste ironie gadeslaat. Hij kijkt naar hen alsof zij optreden in een film. Maar de film bestond toen nog niet.

In het jaar dat Daum zijn Nederlands-Indische romancyclus voltooide, ontwikkelde Edison een opname- en kijkapparaat, de kinetoscoop. Twee jaar later, in 1895, gaven de gebroeders Lumière in Parijs de eerste openbare filmvoorstelling met hun cinematographe. In Nederland was de eerste voorstelling in juni 1896 te zien. P.A. Daum was toen ziek; hij leed aan malaria en leveraandoening. In Nederland hoopte hij herstel van zijn gezondheid te vinden. Hij werd verpleegd in Laag-Soeren, waar hij honderd jaar geleden - op 14 september 1898 - op 48-jarige leeftijd overleed.

Het is een wonder dat een schrijver, die onmogelijk vertrouwd is geweest met het medium film, ruim een eeuw geleden de techniek hiervan uitvond in proza, compleet met montage, inzoomen, snelle afwisseling der scènes. In het ver van West-Europa gelegen Batavia waren de eerste films pas rond 1910 te zien.

Daum was een fel schrijver. Terwijl de naturalistische Nederlandse literatuur van dat ogenblik pronkte met taalpracht en woordenpraal, met artistieke schrijverij zoals beoefend door Frans Netscher en Lodewijk van Deyssel, schreef Daum het helderste en meest transparante proza denkbaar, wars van elke retoriek die hij dan ook verfoeide en als 'kostschoolliteratuur' afdeed. Hij wilde niet met een verfijnde 'stift' schrijven, maar 'gerust een voorhamer' gebruiken. Dit alleen maakt hem nog niet tot een filmisch schrijver. Hij dacht in scènes en beelden, hij is de meester van de cliffhanger, en voor alles: hij toont de lezer zijn personages als reële, werkelijk bestaande figuren die zich met elkaar onderhouden in levendige dialogen. Kom daar eens om in de kunstliteratuur van die tijd.

Te benauwd

Ter verklaring voor Daums schrijfstijl is vaak aangevoerd dat hij journalist was, eerst in Nederland bij het Haagse Het Vaderland, waar hij op zijn twintigste al redacteur werd. Maar Den Haag en Holland waren te benauwd voor Daum. Hij kreeg een aanbod om te gaan schrijven voor De Locomotief in Semarang, vervolgens was hij verbonden aan Het Indisch Vaderland en Het Bataviaasch Nieuwsblad. Die laatste, noodlijdende krant gaf hij nieuw elan door hem op, goedkoper, halfformaat uit te geven. En vooral door de krant zelf vol te schrijven met het reguliere nieuws, met heftige aanvallen tegen de laksheid van het Nederlandse gouvernement en vooral met zijn literaire feuilletons. Onder het pseudoniem Maurits publiceerde hij zeker elke vier dagen, soms zes keer per week een vervolgverhaal. Vaak op het allerlaatste moment, als de zetter hem smeekte eindelijk zijn tekst in te leveren. Dan ging het in razende vaart. Het is verbijsterend te beseffen dat zijn romans, die slechts zeer zelden aan een compositioneel slordigheidje - maar nooit aan een stilistische onvolkomenheid - lijden, zo zijn ontstaan: op de redactie van een krant, hectisch, onder grote spanning.

Het feuilleton was voor hem het ideale keurslijf, kennelijk nooit te strak toegeknoopt want hij hield het tien jaar lang met verve vol. Dat genre had voor hem ook iets van een jongensboek; hij had een voorkeur voor tussentitels als 'Hoe de 'kinderen' zich amuseerden' of 'Roos gewaarschuwd' uit 'Ups' en 'Downs' in het Indische leven.

Journalistieke ervaring alleen schiet tekort als verklaring. Daum koesterde een grote passie voor de secure waarneming van de operette van het Indische leven met zijn fortuinjagers en planters, hun roddelzieke vrouwen, hun hang naar overspel. Melodrama was hem niet vreemd. Zijn literaire credo is dat van de ervaring en niet van de verbeelding. Voor een romanschrijver was het volgende voor hem het belangrijkste: 'Bekendheid, persoonlijke bekendheid met individuen en toestanden van de soort welke men handelend wil doen optreden of weergeven wil, wordt gevorderd; men moet tonelen, van de soort welke men wil beschrijven, hebben bijgewoond; wat men weergeeft moeten, in beginsel althans, afdrukken zijn van zelf ontvangen indrukken.'

De Indische samenleving las Daums boeken met rode oortjes, want het gehalte van een 'Daum-als-sleutelroman' was hoog. Lees zijn romans, en onwillekeurig dringt zich het beeld op van een man die op de redactie van Het Bataviaasch Nieuwsblad beschikte over een stelsel van afluisterapparaten dat hem met de voorgalerijen en vooral de intieme slaapkamers van de koloniale echtelieden verbond.

Elke scène uit Daums boeken is door hem gezien en beleefd. Met zijn zakelijke titels refereert hij onmiddellijk aan zaken, die in de kleine samenleving vigeerden. Uit de suiker in de tabak gaat over een planter die aan lager wal raakt door de keuze voor het verkeerde gewas. Hoe hij Raad van Indië werd was voor iedereen in Batavia en omstreken helemaal pikant, want men wist dat zo'n hoge functie nooit te danken was aan iemands kwaliteit, maar wel aan zijn vrouw die in het overspelige bed met een hooggeplaatste de zaakjes voor haar man regelde. De roman Nummer Elf verwijst naar de 'pil nummer elf', het vergif dat een wraakzuchtige inlandse vrouw toedient aan haar Europese rivale wanneer deze uit Holland overkomt en de inlandse bijzit van haar man de kampong injaagt. Indische toestanden, het kwam allemaal voor en nog erger; Daum was hiervan de superieure vertolker.

Vergenoegd

Het is vreemd dat Couperus' De stille kracht uit 1900 wel is verfilmd, door Walter van der Kamp voor de televisie in 1974, en niet Daums gelijkwaardige Goena-goena dat tussen 16 april en 16 augustus 1887 in 75 afleveringen in zijn krant stond afgedrukt. Leg de openingszinnen eens naast elkaar. Bij Couperus treffen we woordkunst aan en bij Daum zakelijke helderheid, als gezien door het oog van een camera. Couperus: 'De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen hemel op.'

Daums openingszin luidt: 'Charles Prédier kwam met een vergenoegd gezicht het kantoor uit.' En de tweede: 'Nu was alles in orde; nu was zijn fortuin gemaakt.' De derde zin: 'Terwijl hij het zweet van z'n voorhoofd veegde - het pleiten voor eigen zaak maakt zo warm! - drukte hij de zwartleren portefeuille, die hij onder de arm droeg, tegen zijn borst.' Niks tragische maan - hoe ziet die er trouwens uit? - wel een man die opgewekt uit zijn kantoor komt. Daum zoomt in op het personage: eerst zijn gestalte met die vergenoegde uitstraling, dan het zweet op het voorhoofd en ten derde de essentie: zijn gevulde portefeuille. Het geheim van Daums schrijfstijl is dat elke lezer van het eertijdse Indië, en ik ben ervan overtuigd ook de hedendaagse lezer, meteen door het woord 'vergenoegd' is gealarmeerd. De Maleise titel Goena-goena, stille kracht, duidt op onheil en ondergang: Prédier bezwijkt ten slotte aan de geheime Javaanse machten, zijn fortuin is helemaal niet gemaakt. Daarom is hij tragischer dan de maan van Couperus.

De schrijver Daum draagt een groot geheim met zich mee. Hoe kan iemand tien romans schrijven, en in al die romans zo rigide de plaats innemen van waarnemer van het hier en nu? Aan zijn werk ontbreekt elk spoor van nostalgie naar vroeger. Hij schrijft geen heimweeliteratuur. De gevoelens van ontreddering en vereenzaming, onvermijdelijk verbonden met het plantersleven op afgelegen plaatsen, verbond hij altijd met de lotgevallen van zijn personages. Het waren nooit vage sentimenten, maar voorvallen met kantige, noodlottige contouren die hen troffen.

De slotalinea van Uit de suiker in de tabak (afgedrukt als feuilleton in Het Indisch Vaderland tussen 19 december 1883 en 1 juli 1884) is een van de aangrijpendste uit de koloniale literatuur die ik ken. Een man, planter van beroep, overdenkt zijn leven: 'Maar als ik zo 's middags onder 'n kop thee van mijn voorgalerij naar beneden zie over de eindeloze sawahs, die er thans worden bearbeid, dan krijg ik weleens een naar gevoel van verlatenheid, en dan denk ik, hoe weinig er nodig is om een mensenleven doelloos te maken.'

'Einde' schrijft Daum eronder. Het had het laatste beeld kunnen zijn van een onvergetelijke film. De sawahs in de diepte, de man en zijn kop thee, de zo Indische voorgalerij, en alles overheersend de verlatenheid.