Geschiedenis van het weer; Duizend jaar donder en bliksem

J. Buisman: Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Deel 3: 1450-1575. Onder redactie van A.E.V. van Engelen. Van Wijnen. 808 blz. ƒ 69,50

'Rusland heeft twee generaals die het kan vertrouwen. Generaal Janvier en Generaal Février.' Het is niet de betrouwbaarste bron waarin we deze woorden van tsaar Nicolaas I aantreffen (het satirische Punch Magazine uit 1853). Maar ze kloppen wel: in het barre Russische winterweer zijn al vele vijanden vastgelopen. Het waren de veldheren Janvier en Février, die Napoleon tot op het bot verkleumd, naar de Berezina en verder terugdreven. Dat Hitler krap honderdvijftig jaar later zijn Russische campagne moest opgeven is aan dezelfde legeraanvoerders te danken, krachtig bijgestaan door hoge ondergeschikten met de namen Octobre, Novembre en Decembre. Ieder op eigen wijze strijdend, met een persoonlijke wapencocktail van regen, wind, hagel, vorst en sneeuw.

Tegen een leger valt te vechten, tegen elementaire krijgsheren is niet op te boksen. Voor de laatste stelling vinden we vele bewijzen in J. Buismans Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen. Na de eerste twee delen, over de periode 764 tot 1450, blijkt in het derde deel opnieuw het weer een onomstotelijke factor in de strijd tegen de vijand. Karel de Stoute heeft in 1467 de grootste moeite met de Luikse opstandelingen onder de stortregenachtige generaal Octobre. De koude strateeg Février legt ijs in de Zuiderzee, zodat Gelderse bendes vanuit Harderwijk in 1504 Weesp kunnen overvallen. Het door Karel V belegerde Metz wordt in 1552 bijgestaan door de sneeuw-, kwakkel- en vervolgens vorsttroepen van Novembre. Berucht ook is de manier waarop de door tsaar Nicolaas genoemde en meedogenloze generaals Karel de Stoute hebben nabehandeld.

Karel sneuvelt in januari 1477 bij Nancy, maar op het slagveld kan men hem niet vinden. Als tenslotte een merkwaardig lijk wordt aangetroffen - duidelijk anders dan de andere overschotten: ingegroeide teennagel, haren en vingernagels ongeknipt, litteken in de hals, schouder met karbonkelsporen - herkent men aan deze karakteristieken de Bourgondische vorst. Zijn gezicht is echter vastgevroren aan de grond, bij het losrukken gaan zijn trekken verloren en ook de wolven hebben al aan hem gevreten. Een gure winter.

Dat brengt ons op wat Buisman over dieren meedeelt. Afgezien van doorsnee wolven (die bij het juiste weer en de juiste omstandigheden in toenemende populaties voorkomen: zo weet ergens een hondsdol exemplaar de Vlaamse stad Gent binnen te dringen, om daar mensen ziek te bijten) meldt hij dat op 24 augustus 1538 nooit eerder vertoonde 'aardwolven' te Dortmund worden gesignaleerd (breit mit korten steertekens), die ondergrondse voorraden aanleggen van geroofd graan. Het blijkt de aziatische hamster te betreffen, door dorstige zomers tot landverhuizen aangezet.

Grois dier

Mooi is wat Buisman over de tournee van olifant Soliman meldt: 'In 1482 loopt iedereen in Keulen uit voor ein grois dier, desgleichen in diesen Landen nie gesehen was'. Ook in Holland wordt het dier tentoongesteld. Waarom lezen we dit een boek over het weer? Buisman bewaart de clou tot zijn gegevens over het jaar 1484. Er steekt een 'roekeloze' storm op tijdens het Zuiderzeetransport van Amsterdam naar Naarden, waarna de olifant helemaal bij Enkhuizen dood en verdronken aan land wordt getrokken. Tenslotte zijn er luchtdraken (waarschijnlijk Noorderlicht), en de pot- en vinvissen, die ook in de jaren 1450-1575 al op de Nederlandse kusten stranden en daar in het kader van volksgeloof en overlevering weinig goeds beloven.

J. Buisman toont zich, als in de voorgaande delen, in zijn derde boek van Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen opnieuw een precies, verantwoord en gedetailleerd chroniqueur. Smakelijk ook, want hij schuwt de woordspeling niet. Buismans compilatie van historisch weer beslaat nu al rond de 2100 pagina's en hij moet nog tot 1998. Maar kennelijk heeft zijn Herculische arbeid hem de humor niet doen verliezen. Natuurlijk ligt de nadruk op uitmiddelpuntige zaken. Dat het in 1450 of 1575 mooi weer is, kun je kort vertellen. Maar dan hebben we het over de zakelijkste medelingen in Buismans kroniek. Dat Duizend jaar weer al meer dan tweeduizend bladzijden lang zo'n verrukkelijk lees- en bladerboek is, is aan iets anders te danken. De anekdotiek natuurlijk in de eerste plaats. Maar het is vooral de superieure hand van de chroniqueur, die de zee van gegevens de zee laat en er tegelijkertijd niet in verdrinkt. Ook de lezer houdt het hoofd boven water in de vloed die Buisman over hem uitstort, dankzij helder geschreven uiteenzettingen over deelonderwerpen als varkenshouderij (in het bos, waar de eikels vallen), napolitaanse schurft, pishuis- en vuilnisproblemen in Den Haag, vuurwapenverbod bij de jacht, beeldenstorm, zweetziekte, pestgolven, het groei- of groendillema, de introductie van de kastanjeboom, mijnbouw, eet- en tafelmanieren, of het einde van de wereld.

'Ik sta voortdurend tussen de gewone mensen', schrijft Buisman in het woord vooraf bij zijn derde deel. Ik geloof dat in deze weerman een warm hart klopt voor juist die gewone mensen. De lezer krijgt een gevoel van warme sympathie voor de samensteller van Duizend jaar weer. Ondanks alle gegevens over prelaten, graven, hertogen, koningen en keizers, lijkt het Buisman inderdaad begonnen te zijn om een beeld te geven van wat al die weersgesteldheden betekenden voor de gewone man in het dagelijks leven. Misschien zou hij alle hoogwaardigheidsbekleders liever hebben weggelaten, ware hij niet gestuit op het dillemma van elke volkshistorieschrijver: slechts aan de hand van juist die historische grootheden zijn gegevens bekend.

Vriesdood

Dankzij de postume vriesdood van Karel de Stoute weten we van vorst, dankzij een reis van de moeilijk 'gewoon' te noemen Erasmus dat het op zaterdag 11 september 1517 onbedaarlijk stormde: 'Wat een tocht! Ik meende in mijn kleren redelijk beschermd te zijn, maar het geweld van de wind ging overal doorheen'. Maarten Luther wordt op 2 juli 1505 overvallen door een bui met bliksem, die vlak bij hem inslaat (Hilf du S. Anna, ich will ein Monch werden!), uit het reisdagboek van Albrecht Dürer weten we dat het op 14 november 1520 stormde te Emmerik. Aan de hand van zulke mededelingen vinden we bij Buisman indrukwekkende reconstructies van de gevolgen van weer, wind en water voor de gewone man. Is het Pater 'praten als' Brugman die ons vertelt van die ene, barre winter, hij kan het blijkbaar rustig bij de haard gezeten navertellen. Bij de gewone middeleeuwer bevroor het brood op tafel en werd de wijn in ijsblokjes rondgedeeld, tot alles op was en men het loodje legde.

Het weer is er, net als de dood, voor iedereen en soms komen ze tegelijk. Egyptische zandstormen, Siberische koudegolven vol 'eijssinghe en grouwel' (het door de Spanjaarden belegerde Haarlem lijkt in een poollandschap te liggen), tempeesten, bloedregen, vuurklompen aan de hemel. De natuur biedt veel verrassingen.

Opvallend is het grote aantal stormvloeden in de periode 1450-1575, met overstromingen die onnoemelijk veel schade aanrichten, sommige méér dan de beruchte St. Elisabethsvloed uit deel 2. Zo kunnen we de ongelijke strijd volgen die Reimerswaal tegen het water voert (en die uitmondt in stadsverdrinking), maar in heel kaartgroen Nederland smijt de zee zichzelf over de landerijen. De gevolgen zijn trouwens nog lang na het droogvallen merkbaar. Verzilting treedt op, zodat de Amsterdamse bierbrouwers bij voorbeeld moeten overschakelen op duinwater uit de Overveense poel met de beroemde naam Kraantjelek.

Miasmen

Opvallend ook in Buismans derde deel is de toegenomen aandacht voor ecologische kwesties. Wat Simon Schama uitgebreid beschreef in zijn Landschap en herinnering vinden we bij Buisman terug: de ecologische schade die de intensieve varkensbeweiding in mastbossen aanricht, en de milieumaatregelen daartegen van de plaatselijke bewindvoeders. We lezen over 'vuile mist' (middeleeuwse smog), over Zeeuwse miasmen, watervervuiling (niet alleen in Den Haag), de milieueffecten van mineraalwinning in de open lucht, etcetera. Bij die passages waan je je bijna in het heden en lijkt er niets veranderd.

Gewetensvol somt Buisman zijn bronnen op. Noten aan de voet van elk hoofdstuk. Verwijzingen. Kaartjes. Statistieken. Lijstjes. Maar voor wie daar overheen wil lezen openbaart zich een spiegel van het gewone leven in een vervlogen tijd, die vaak heel gewoon lijkt. Weer is er voor iedereen, voor Buismans Duizend jaar weer, wind en water geldt hetzelfde. Bont en gevaarlijk als sommige Russische generaals leveren de elementen, eeuw in, eeuw uit, rijke stof voor nog vele delen van J. Buisman, 'dwelc niemant en laect, want zijn handen hebben dit al gemaect.'