Geef het vrije woord de ruimte

De Nederlandse politieke cultuur kenmerkt zich door een hang naar - soms links dan weer rechts - conformisme. Wie tegendraads is, zet zichzelf buiten spel. S.W. Couwenberg vindt het hoog tijd het vrije intellectuele debat dat geen taboes kent, nieuw leven in te blazen.

Hoe kwetsbaar is een politiek systeem dat verstoken blijft van maatschappelijke kritiek? Die vraag stelde Elsevier onlangs aan de orde in een overzicht van het paarse machtskartel. Dit regeert en bestuurt, volgens dit blad, zonder tegenkrachten van voldoende betekenis. Het parlementaire debat over de regeringsverklaring lijkt dit te bevestigen. De SP is evenals GroenLinks wel een tegenkracht, maar geen echt alternatief voor paars. En CDA staat met zijn lange traditie van bestuurderspartij nog altijd met linkse handen tegenover de door paars opgedrongen oppositierol.

Verschraling van de politieke oppositiefunctie is in ons politieke systeem al een oude klacht. Dit geldt ook voor het gebrek aan intellectueel debat. Dit laatste werd de laatste tijd opnieuw gesignaleerd door onder anderen oud-bewindsman Ed van Thijn, oud-Tweede Kamerlid voor D66 Hans Jeekel en socioloog Cees Schuyt. Die socioloog spreekt zelfs van een gebrek aan 'echt democratische cultuur'.

Het gemis dat hier gesignaleerd wordt, is de prijs die we moeten betalen voor andere zaken die we sinds lang plegen te koesteren, zoals de oude bestuurstraditie van schikken en plooien, van overleg, consensus en depolitiseren van conflictstof; in deze eeuw opnieuw gecultiveerd in de accommodatie- en pacificatiepolitiek tijdens de verzuilingsperiode en nu weer in het alom gevierde poldermodel. Noch de religieus-geïnspireerde antithese-politiek van AR-leider Abraham Kuyper, noch het socialistische klassenstrijd-concept waarvan de Nieuw-Linkse polarisatiestrategie in de jaren zestig en zeventig een nieuwe variant was, is erin geslaagd die oude traditie terug te dringen. Voormalig Nieuw-Linkser Han Lammers heeft de Nieuw-Linkse polarisatiestrategie nadien ook gelaakt. De Nederlander houdt daar niet van. Nieuw Links heeft zijns inziens onvoldoende beseft dat de rest van Nederland geen boodschap heeft aan intellectuele discussies. Dit geldt inmiddels ook voor de PvdA, zo constateerde Volkskrant-columnist André Roelofs onlangs.

Ook de stroperigheidskritiek die er sinds de jaren zeventig op geleverd is, is praktisch geheel verstomd. Zo'n diepgewortelde traditie biedt weinig ruimte voor oppositie en intellectueel debat op het scherp van de snede. Dit geldt ook voor de cultus van politiek correct denken dat eveneens diepe wortels heeft in onze cultuur, met name in onze moraliserende (dominees)traditie. Tijdens de verzuiling werd op een correcte denk- en leefwijze nauwlettend toegezien door toen toonaangevende confessioneel-christelijke elites, die waakten over de door hen geïnspireerde goede zeden; sinds de culturele omslag van de jaren zestig gebeurt dit door links-libertaire elites, die eerst korte metten maakten met de moraliteit van de verzuilingsperiode om vervolgens hun nieuwe links-libertaire moraliteit van onbegrensde vrijheid en gelijkheid op hun beurt te verheffen tot nieuwe onaantastbare waarde, waarnaast geen andere waarden geduld konden worden. Wie die moraliteit ter discussie stelde, werd bestreden op dezelfde weinig tolerante wijze waarop voorheen confessioneel-christelijke elites hun normen en waarden veilig probeerden te stellen. In de jaren negentig stuit het permissieve gedragspatroon van de links-libertaire moraliteit overigens op een reveil van oude burgerlijke deugden en waarden, ook in linkse kringen. Zo is het belang van law and order nu weer topprioriteit.

Onze partijendemocratie met al haar restricties op politiek onafhankelijk denken biedt uiteraard ook weinig ruimte voor oppositie en intellectueel debat op het scherp van de snede. Wie daarin carrière wil maken, doet er goed aan geen tegendraadse standpunten te vertolken, maar zich braaf te voegen naar de eisen van partij- en fractiediscipline. Wie zich politiek onafhankelijk opstelt, plaatst zich buiten spel en mag slechts af en toe van de zijlijn wat roepen dat afwijkt van de heersende opinie, mits met mate.

Resultaat van dit alles is een sterke hang naar conformisme. Onder invloed van de Verlichtingstraditie is lang gedacht dat conformisme een typisch rechtse neiging is, evenals het creëren van politieke taboes en het weren van ongewenst geachte feiten en opinies uit de publieke discussie. Maar waar links gedachtegoed de overhand krijgt, zien we die neiging ook volop onder linkse elites.

Ondanks al deze tegenwerkende factoren is er telkens weer een roep om meer aansprekende oppositie en fundamenteel intellectueel debat. Daar moeten we dan wel wat voor over hebben: met name minder koudwatervrees voor het ter discussie stellen van het heersende politiek correcte denken; meer vrijheid voor politici om aan het publieke debat deel te nemen, dus matiging van partij- en fractiediscipline die het liberale principe van het vrije mandaat (het verbod van last en ruggespraak) in vergaande mate heeft uitgehold; relativering van het weer zo gevierde harmoniemodel; wat minder zelfgenoegzaamheid hoe goed velen het ook hebben; en vooral wat meer respect voor vrije meningsuiting, die de laatste jaren het meest bedreigd wordt door de politieke fatsoensrakkerij van de wakkere strijders tegen discriminatie. Voortgekomen uit de rijen van links-radicale 'antifascisme-komitees' van de jaren tachtig, plegen deze strijders hun schervengericht te richten tegen ieder die durft af te wijken van hun vaak overtrokken interpretaties van het discriminatieverbod. Een recente geruchtmakende illustratie hiervan is de klacht van het Amsterdamse Meldpunt Discriminatie bij het OM tegen het vrijmoedig commentaar van Volkskrant-columnist Gerry van der List op bepaalde excessen van de homosubcultuur naar aanleiding van de Gay Games. Deze en andere overtrokken reacties van het antidiscriminatiefront roepen associaties op met de rigide wijze waarop religieuze fundamentalisten hun specifieke interpretaties van het geloof willen afdwingen. De in dit land gangbare discriminatie op politieke gronden laten de activisten op dit front overigens angstvallig buiten beschouwing.

“Hoe kan het ooit wat worden met de vrije meningsuiting in dit land? De marge waarbinnen men zonder paria-risico in het openbaar kan spreken, is zo flinterdun dat van vrije meningsuiting zelden sprake is”, zo verzuchtte M. Chavannes in NRC Handelsblad van 20 mei 1992. Dit is wellicht wat al te zwartgallig. Sinds 1948 is er een Nederlands Gesprek Centrum dat openbaar debat in dit land stimuleert, terwijl bijvoorbeeld ook instellingen als De Balie en De Rode Hoed in Amsterdam zich daarvoor inzetten. Maar desondanks raakt Chavannes met deze verzuchting een zwakke plek in het functioneren van onze democratie. Democratie is niet voor bange mensen, is een leuze die sinds de jaren zestig opgeld doet. Die leuze mogen we wel eens nieuw leven inblazen.