Friedrich Naumann: Mitteleuropa, 1915

Friedrich Naumann: Mitteleuropa. Georg Reimer Verlag, 1915, 299 blz. (uitverkocht).

Het was Milan Kundera die in 1984 een klacht deponeerde bij het Westeuropese publiek: 'Het verdwijnen van het culturele thuis van Midden-Europa was ongetwijfeld voor de hele Westerse beschaving één van de grootste gebeurtenissen van deze eeuw. Hoe kan dit ongemerkt en geruisloos gebeurd zijn?' Een belangrijke vraag: waarom zijn de landen van het oostelijk deel van Midden-Europa langzaam maar zeker uit het bewustzijn van de Westeuropeanen weggegleden? Dat gold in de jaren tussen 1945 en 1989 en dat geldt eigenlijk nog steeds.

Dat het een cruciale regio betreft behoeft nauwelijks betoog. Een Britse historicus karakteriseerde de landen tussen Duitsland en Rusland ooit als het 'zieke hart van Europa'. De onopgeloste etnische kwesties in deze landen zijn in deze eeuw twee maal het begin geweest van een wereldoorlog. Tot op de dag van vandaag vormen deze landen het grootste veiligheidsprobleem op het oude continent.

Tegen deze verbrokkeling zijn veel pogingen tot eenwording van Midden-Europa ondernomen. De vereniging, zoals voorgesteld door de Oostenrijkse premier Schwarzenberg in 1848, beoogde de Duitse confederatie en de Habsburgse monarchie in een douane-unie bijeen te brengen. Zo'n door Duitstaligen beheerst machtsblok werd mede gezien als een middel om de invloed van Rusland en het panslavisme tegen te gaan.

Het klassieke pleidooi voor de vereniging van Midden-Europa is het boek van de liberale econoom en Reichstag-lid Friedrich Naumann. Zijn Mitteleuropa verschijnt in 1915, tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het is niet alleen een enorm verkoopsucces - binnen een half jaar worden er honderdduizend exemplaren verkocht - maar het heeft ook aanzienlijke invloed op het politieke debat in Duitsland. Dat is deels te danken aan de aanstekelijke manier waarop hij zijn pleidooi voor Midden-Europa neerschrijft. 'Neem een kaart een zie wat er ligt tussen de Wisla en de Vogezen en wat zich uitstrekt van Galicië tot aan de Bodensee. Deze landen vormen een eenheid, een broederschap, een defensief bondgenootschap, een economische eenheid'.

Maar er zijn ook dieperliggende motieven voor de weerklank die zijn idee vond om Duitsland en de Donau-monarchie te verenigen. Een voorname reden voor de invloed van Midden-Europa is dat het een rechtvaardiging biedt voor de oorlogsinspanning en het verbond van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Zoals wel vaker in dit deel van Europa is de kunst om uit de nood een deugd te maken ook in Naumanns werk terug te vinden.

'De hele geschiedenis van de oorlog met al zijn lijden en heroïsche daden is betekenisloos wanneer de oorlog uitloopt op een vervreemding tussen de bondgenoten', aldus Naumann. We zijn 'onafscheidelijk in tegenspoed'. Waarom dan niet in voorspoed? Dat is op zichzelf een mooi voorbeeld van een rechtvaardiging achteraf, maar het voorziet ook in een diepe behoefte om de oorlog in dienst te stellen van een omvattender doel.

De oorlogsomstandigheden tonen volgens Naumann aan dat schaalvergroting de trend is en dat Pruisen, Oostenrijk, Hongarije en Duitsland op zichzelf te kleine eenheden zijn om zich te kunnen handhaven. Daarbij speelt mee dat Naumann zoekt naar een compensatie voor de te verwachten verliezen van koloniale bezittingen van Duitsland na de oorlog. Naumann, ooit een overtuigde aanhanger van de imperialistische missie van Duitsland, verandert in een continentaal denker en politicus.

Meer in het bijzonder zien we het argument van 'verbondenheid in tegenspoed' terugkeren bij de economische onderbouwing van zijn plan. De blokkade in de Eerste Wereldoorlog tegen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, deze 'economische gevangenis', vormt de aanleiding om serieus na te denken over een economische unie tussen beiden. Hoewel, het was Naumann zelf geweest die voor de oorlog een uitgesproken tegenstander was van zo'n economische binding, omdat het overwegend agrarische Hongarije een blok aan het been zou zijn van het welvarender Duitsland.

Ondanks de economische argumentatie is Midden-Europa dan ook vooral een politiek project. Om zijn plan enige realiteitswaarde te geven ziet Naumann zich geplaatst voor de opgave het dualisme van het Duitse en het niet-Duitse element in Midden-Europa te verzoenen. Een moeilijke, naar later zou blijken onmogelijke onderneming. Maar het is de moeite waard om te zien hoe Naumann probeert de gevoeligheden aan beide kanten te sparen.

Hij probeert woorden te vinden om de Hongaren en Slaven in de Donau-monarchie te betrekken bij de onderneming van Midden-Europa. 'Of dit is een Duitse oorlog en dan moeten we niet klagen als men in Praag en Zagreb er zo naar kijkt òf het is een Middeneuropese oorlog en dan moeten we er zo over spreken en er naar handelen'. Het hele boek is een poging tot herdefiniëring van de oorlog langs deze lijn. Toch wordt deze uitgestoken hand niet echt aangenomen en zijn het, voorspelbaar, vooral de Duitse Oostenrijkers die enthousiast op Naumann reageren.

Voor deze aarzeling is wel enige aanleiding. In het boek duiken, naast pogingen om een gemeenschappelijk belang te formuleren, herhaaldelijk analogieën op die de verdenking bevestigen dat Midden-Europa toch vooral gemodelleerd zou worden naar het voorbeeld van Duitsland. 'Midden-Europa zal een Duitse kern hebben en zal vrijwillig de Duitse taal hanteren', aldus Naumann. En dan weer bij, wijze van handreiking: 'Wij Duitsers moeten meer echte belangstelling aan de dag leggen voor de Hongaren, Polen, Zuidelijke Slaven en Bohemen'.

De tragiek wil dat in Duitsland de voorstanders van een pangermaanse politiek de gedachte van Naumann geografisch veel te beperkt vinden en zijn poging tot een verzoening met de Hongaarse en Slavische volkeren te veel van het goede. Tegelijk zien veel Hongaren en Tsjechen achter zijn plan juist een poging tot een onmiskenbare Duitse hegemonie in het midden van Europa.

Dat zijn plannen werden geïnterpreteerd als een variant op de Drang nach Osten was voor Naumann een grote teleurstelling, hoewel hij inzag dat voor de Slavische volken in Oostenrijk-Hongarije een toenadering tot de Duitsers niet gemakkelijk zou zijn omdat ze in een voortdurende spanning leefden met de Duitsers in hun nabijheid. Daarbij dacht hij bijvoorbeeld aan de spanning tussen de Tsjechen en de Sudetenduitsers. Het boek van Naumann blijft van belang omdat het heel precies de spanning tussen het Duitse en niet-Duitse element in Midden-Europa laat zien, een wrijving waar elke ordening in Europa een antwoord op moet vinden.

Wie de balans wil opmaken, valt het vooral op dat Naumanns Midden-Europa is gestrand op de ongelijksoortigheid van de twee pijlers waarop hij het wilde bouwen: Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Het nieuwe Duitsland was steeds sterker gecentraliseerd, terwijl de oude dubbelmonarchie uiteen werd getrokken door een oplevende verlangen naar zelfbeschikking. En zo is het uiteindelijk ook gegaan. In plaats van Midden-Europa ontstond een nationale verbrokkeling, waarin Oostenrijk-Hongarije onderging. Vooral de Tsjechen en Slowaken waren uit op nationale zelfstandigheid en hadden hun traditionele pleidooi voor een hervorming van het Habsburgse Rijk laten varen.

Ondanks de pogingen van schrijvers als Michnik, Konràd en Kundera in de jaren zeventig en tachtig is Midden-Europa een idee gebleven en vormen deze landen ook na 1989 geen eenheid in het hart van Europa. De Tweede Wereldoorlog heeft de ondergang van Midden-Europa als cultureel knooppunt met zich meegebracht. De Duitsers en de Joden, die de draden hebben gesponnen die de landen in het midden verbonden, zijn verdreven en uitgeroeid in het oostelijk deel van Midden-Europa. Mitteleuropa van Naumann is een blijvende herinnering aan wat Oost en West in het 'midden' gemeenschappelijk hadden en nu goeddeels verloren lijkt te zijn gegaan.