'Er moet absoluut geen oorlog komen. Dat zou een ramp zijn'

Vele tienduizenden demonstranten zijn vanochtend naar het Vrijdaggebed op de Universiteit van Teheran gestroomd om hun woede op de Talibaan - en in het verlengde de Verenigde Staten - te uiten. Maar in hun hart willen ze geen oorlog met de Afghaanse moslim-fundamentalisten.

TEHERAN, 18 SEPT. “Dood aan de Talibaan”, scandeerden de betogers tijdens het Vrijdaggebed op de Universiteit van Teheran. Ze zwaaiden met vlaggen en portretten van de Iraanse Opperste Leider ayatollah Khamenei en wijlen imam Khomeiny. “Dood aan Amerika!”. Maar hoewel ze voor de camera's krijgszuchtig de vuist balden, was de stemming buiten het bereik van de tv emotioneel maar vriendelijk. De talrijke demonstranten die ik om hun mening vroeg waren het eens: er moet geen oorlog komen. Aan de andere kant, áls het oorlog zal worden, God verhoede het, dan gaat iedereen naar het front.

De moord op negen Iraanse diplomaten en een Iraanse journalist door de Talibaan heeft hier veel emoties losgemaakt. De inmiddels gerepatrieerde resten van zes diplomaten en de journalist werden vandaag begraven - vandaar de demonstratie bij het Vrijdaggebed, waar de kisten werden aangevoerd. Maar voor veel aanwezigen gaat het nu om meer dan wraak op de Talibaan; een humanitaire ramp in Afghanistan moet worden voorkomen. De stemming krijgt ook steeds meer anti-Amerikaanse ondertonen. Pakistan, dat als regelrechte steunpilaar van de ultra-fundamentalistische vervloekte Talibaan wordt gezien, moet het eveneens ontgelden. Hoewel de regering van de relatief liberale president Khatami haar uiterste best doet de crisis met diplomatieke middelen op te lossen, hebben de conservatieve tegenstanders van zijn democratiseringsbeleid de laatste dagen een sfeer van hoogspanning gecreëerd. Op het Vrijdaggebed klonk vanochtend uit de luidsprekers ook de bandopnamen van de harde toespraak van Opperste Leider Khamenei door de luidsprekers waarin hij drie dagen geleden de strijdkrachten - die men dagelijks op de tv naar het front ziet vertrekken - mobiliseerde. Khamenei, hier algemeen betiteld als 'de Leider', is opperbevelhebber van zowel de strijdkrachten als de paramilitaire Revolutionaire Garde, waarvan eveneens eenheden in het grensgebied liggen. Khamenei's toespraak wordt overal herhaald en toegejuicht, maar dat wil niet zeggen dat de stemming onder de bevolking er een van oorlog is.

Het grootste deel van de betogers bij het Vrijdaggebed kwam vanochtend georganiseerd: groepen die door bepaalde moskeeën waren afgevaardigd, studenten, legereenheden. Maar ook waren er mensen die voelden dat zij hier moesten zijn om de aandacht van de wereld op Afghanistan te vestigen. “Gewoonlijk ben ik hier niet, want ik heb het veel te druk”, zei Hadian, een docent aan de universiteit. “Ik moest komen om de aandacht te vestigen op een humanitaire ramp. Als ik niet roep 'dood aan de Talibaan', 'dood aan Amerika', dan verandert er niets.”

Cheerleaders scandeerden hun leuzen, de betogers antwoordden, de gebalde vuist in de lucht slaand: “Hezbollah (Partij van God), we zijn gereed. Iran is vol Baseej (vrijwilligers).” Een jonge soldaat sprak me aan. “Er moet absoluut geen oorlog komen. Dat zou een ramp zijn. We proberen deze maatschappij op te bouwen.” Waarom ben je hier, vroeg ik hem. “Ik doe wat mij wordt bevolen.” “Leider, we zijn gereed”, riepen omstanders. “Als Khamenei het sein geeft, gaan we naar het front.”

Ook de betogers die door moskeeën in volksrijke wijken werden aangevoerd en die zo vol vuur de Talibaan en Amerika verwensten, willen geen oorlog. “Ik wil mijn leven geven voor de Leider”, stond op hun spandoeken te lezen. “Natuurlijk hopen we dat er geen oorlog komt”, zei de huisvrouw Laia, die met een groep zwart verhulde vrouwen kwam aanlopen. “De regering is verstandig genoeg om te weten dat de vijanden de Iraanse economie volledig willen verwoesten”, zei Mustafa, een arbeider uit Teheran.

Op de reusachtige begraafplaats Beheste Zahre, ten zuiden van Teheran, waar talloze 'martelaren' van de oorlog tegen Irak begraven liggen, was de student Hassan gisteren nog het meest tot vechten bereid. Hassan is een Baseej, de grote vrijwilligersbeweging die wordt ingezet om met overredingskracht, dan wel geweld, de verworvenheden van de Islamitische Revolutie te verdedigen. De Baseej vallen onder de Revolutionaire Garde, en volgen de Leider, tot in de dood. “Als we worden opgeroepen tot de jihad (heilige oorlog), dan gaan we”, zei Hassan. Hij kwam op Beheste Zahre de martelaren gedenken, onder wie vele Baseej die indertijd (1980-1988) als kogelvangers tegen de Irakezen werden ingezet. “Maar natuurlijk wil geen verstandig mens oorlog.”

Honderd graven verder stond Rahin met enkele vrienden, ook op pelgrimstocht “om de martelaren te tonen dat ze niet alleen zijn en dat we bereid zijn hun voorbeld te volgen als we een nieuwe oorlog krijgen”. Maar Rahin, een oud-Baseej, verwachtte niet dat het oorlog wordt. “Want het land is in opbouw, en dan verliezen we wat we hebben opgebouwd.”

In het Baesat-park, in een volkswijk in het uiterste zuiden van Teheran, zat de Revolutinaire Gardist Ali gisteravond met zijn vrouw en twee dochters op een kleed in het gras thee te drinken. Ali was zojuist teruggekeerd uit het grensgebied met Afghanistan, waar zijn eenheid had deelgenomen aan een oefening om de Talibaan onder druk te zetten. Circa eenderde van de 70.000 deelnemende Gardisten is in het grensgebied achtergebleven, maar Ali zat in de avondzon aan de grote vijver in het park het begin van het weekeinde te vieren. “Voor mij als Revolutionaire Gardist maakt het geen verschil of we in oorlog zijn of niet”, zei hij. Als de Leider zegt dat de islam in gevaar is, dan ga ik. Ik geloof voor de volle honderd procent in de Leider. Als hij me opdracht geeft u hier in de vijver te gooien, dan doe ik dat.” Maar ook Ali geloofde niet dat het oorlog wordt. “Ik weet natuurlijk niet wat de leider gaat doen, maar ik denk niet dat we gaan vechten.”