Elly de Waard in het weeshuis van de ziel

Elly de Waard: Anderling. De Harmonie, 93 blz. ƒ 32,50

Anderling heet de tiende dichtbundel van Elly de Waard. Dat lijkt een speels bedachte variant op 'zonderling' en 'eenling', maar het is een heus Nederlands woord. Een 'witte anderling', meldt de Grote Van Dale, is een witte kip die bruine eieren legt. In het lexicon van Hedendaags Nederlands heeft dezelfde uitgever het woord echter niet opgenomen. Blijkbaar is het uit de tijd, zoals - althans volgens het vers waarmee de titelreeks van Anderling opent - ook de dichtkunst dat is. De poëet is een curiosum geworden, stelt De Waard, maar er is niettemin volop reden om:

toch dichter te willen zijn van zo'n historisch rijk, maar klein en koppig taalgebied, dat van een eigenzinnigheid van zeggen is en in benoemen authentiek.

Zo'n intens maar sober credo past bij de nieuwe poëzie van Elly de Waard. De driftige toonzetting van haar vroegere bundels heeft vanaf Eenzang (1992) meer en meer plaatsgemaakt voor verstilde, introspectieve verzen. In Anderling lijkt dit proces voltooid, niet alleen omdat zelfs de liefdeslyriek nu bezonken verwoord is, maar vooral ook omdat De Waard niet langer voor één vorm heeft gekozen. De gedichten in Eenzang, Eenzang twee (1993) en Het zij (Eenzang drie, 1995) bestonden uit tweeregelige strofen, vaak met een enkele regel als slot. Dat gaf een dwingend ritme, dat weinig ruimte liet voor bezinning. De vormgeving in Anderling daarentegen is uiterst gevarieerd. Disticha, terzinen, kwatrijnen kwin- en sextetten wisselen elkaar af. En dat brengt letterlijk adem.

In de eerste reeks van Anderling zoekt De Waard nadrukkelijk aansluiting bij de poëzie van J.H. Leopold. 'De kemels van haar uittocht' heet de reeks, en die titel is ontleend aan een kwatrijn uit Leopolds 'Oostersch III'. De Waard koos dat kwatrijn als motto en bezong de dichter bovendien in twee afzonderlijke gedichten - zoals Valéry en Hölderlin elk ook onderwerp zijn van een vers.

Verwantschap met Leopold blijkt niet alleen uit zulke beelden als 'Doorschijnende tent van licht, de zijden / banen naar de aarde uitwaaierend', maar ook uit de toon van veel gedichten in 'De kemels van haar uittocht'. Nergens echter dringt die verwantschap zich op. Daarvoor zijn ook deze verzen te authentiek, te duidelijk van Elly de Waard.

Opmerkelijk is de openlijke weemoed die in Anderling de grondtoon bepaalt. Steeds weer duiken beelden van het najaar op.

Herfst en langzaam verstoft elk glanzen, lucht ruikt naar kolenvuur en vocht;

de wanhoop van er niet in slagen wat je je voorneemt te behalen rook van dat smeulen stijgt in je binnenste op

Het barokke, soms profetisch opgeblazen taalgebruik van De Waards vroegere poëzie ontbreekt hier. Er is geen voorzanger meer aan het woord, maar een door tij en ontij getemperde stem. Ook hevig verdriet, zoals dat van een onbeantwoorde liefde, wordt in Anderling in aardse proporties bemeten: 'In het grote huis / gingen wij elk ons // weegs, wij sliepen niet / te zamen, maar ook / gescheiden van elkaar / sliepen wij niet.'

De natuur speelt een overdadige rol in deze nieuwe bundel. Maar niet de natuur zoals die in de clichés verankerd ligt. Natuur is voor Elly de Waard geen literair sjabloon, maar het milieu van haar woon- en werkplek, en als zodanig een dagelijks doorleefd onderwerp. Mettertijd heeft ze haar poëtische blik aan dat onderwerp geslepen. Veel gedichten in Anderling beginnen dan ook met een scherp geschetste 'Natureingang' - zoals:

Juli en onverdraaglijk herfstig is de lucht. Zoveel bladeren van het berkje dwarrelen nu al in de vroegte samen tegen de stenen traptreden. Hun geel vergaderen is verontrustend.

De slotzin heeft evocatieve kracht, en dat geldt voor veel regels en beelden in Anderling. Voor de beschrijving van het kartelige laagland aan de zee bij voorbeeld: 'de vrouwen zijn er zandkleurig // en blond als nieuw hout / en even geurig.' Of voor 'De ochtend is aan één oog blind / maar kogelend rolt het licht van / zee de kamer in.'

De bundel eindigt met zeven zeer diverse gedichten, monkelend samengebracht onder een titel die het gebrek aan samenhang benadrukt: 'Het weeshuis van de ziel'. Maar één ding hebben deze verzen gemeen. Ook hier is een anderling aan het woord.

Zitten in vreemde kamers tot de morgenstond

op vreemde stoelen of op de grond

met een vreemd voelen en klei in de mond

De Waards nieuwe gedichten tonen een gloedvolle synthese van de kwaliteiten die haar oeuvre sinds Afstand (1978) bepalen. Anderling biedt klinkklare lyriek.