Duitse intelligentsia luidt noodklok; Heimwee naar een gedeeld land

Heribert Prantl: Sind wir noch zu retten? Hanser Verlag, 281 blz. ƒ 34,30 Konrad Adam: Die Republik dankt ab. Alexander Fest Verlag, 239 blz. ƒ 45,80 Jan Ross: Die neuen Staatsfeinde. Alexander Fest Verlag, 165 blz. ƒ 41,40 Bernd Ulrich: Deutsch, aber glücklich. Alexander Fest Verlag, 175 blz. ƒ 41,40 Hagen Schulze: Phönix Europa. Siedler Verlag, 500 blz. ƒ 170,20 Over een ruim een week zijn er verkiezingen in Duitsland. Vooral geen al te serieuze experimenten, lijkt nu al jaren het parool. De intelligentsia ruikt echter onraad. Een reeks boeken en pamfletten roept aan de vooravond van de verkiezingen een onheilspellend beeld op.

Duitsers houden van debat. Ze houden er zo van dat ze hun onderwerpen soms volkomen stukpraten. Zoals het debat over het Holocaust-monument in Berlijn. Tien jaar discussie heeft tot zoveel verdeeldheid geleid, dat er uiteindelijk een besluit is genomen: het besluit om het besluit uit te stellen tot na de verkiezingen.

Duitsers houden van debat. Maar wat een angst hebben ze voor beslissingen. De confrontatie met de realiteit is vaak zo ontmoedigend. Dus praten ze liever verder. Na de zestien jaar Helmut Kohl overheerst de voorliefde voor continuïteit. 'Als er maar niet teveel verandert', blijkt uit de onderzoeken van de opiniepeilers die wekelijks prognoses doen over de Bondsdagverkiezingen van 27 september. Het liefst zouden de Duitsers SPD-kandidaat Gerhard Schröder als kanselier hebben, mits hij met het CDU-programma regeert. Keine Experimente! De Russische crisis vlak naast de deur, die in het zwakke Oosten van Duitsland al kostbare banen bedreigt, zal de neiging naar stabiliteit alleen maar vergroten.

Maar deze angst voor veranderingen verlamt wel de politiek. Reformstau (hervormingsfile) heet dat sinds vorig jaar. De hervormingen die moesten worden doorgevoerd - van belastingen en uitkeringen tot onderwijs en pensioenen - stapelden zich toen op wegens het uitblijven van beslissingen. En het handjevol hervormingen dat de regering wèl wist door te zetten, zoals de verlaging van de ziekte-uitkering, leidde meteen tot stakingen. Ondertussen is de intellectuele elite uit haar schulp gekropen om daarover alarm te slaan. Afgaande op een reeks recente boeken pakken wolken van scepsis en cultuurpessimisme zich boven Duitsland samen.

'Sind wir noch zu retten?', vraagt de publicist Heribert Prantl zich af. Prantl, commentator van de Süddeutsche Zeitung, spoort aan tot opstand: tegen de terreur van de economie, tegen het koude pragmatisme van de politieke partijen en tegen de demontage van de verzorgingsstaat. De politicoloog en schrijver Christian Graf von Krockow waarschuwt voor 'Der deutsche Niedergang'. Konrad Adam van de Frankfurter Allgemeine Zeitung klaagt in Die Republik dankt ab het politieke systeem aan. En de publicist Jan Ross, die wordt geprezen als voorloper van een nieuwe Berlijnse generatie, weet in zijn debuut de 'nieuwe vijanden' van de staat te identificeren.

Zwartkijkers

Alsof dit koor van zwartkijkers al niet krachtig genoeg is, haalt de socioloog Richard Stöss van de Vrije Universiteit in Berlijn vlak voor de verkiezingen ook nog eens het spook van de 'Politikverdrossenheit' van stal. Tweederde van de burgers blijkt ontevreden te zijn over de politieke situatie in het land. Bijna éénderde (31 procent) zegt zelfs weinig in de democratie te zien. De verwarrende begrippen die Stöss hanteert ('Politikverdrossenheit' en 'Systemverdrossenheit') leverden na publicatie dermate alarmerende krantenkoppen op ('Een op de drie Duitsers wijst democratie af'), dat de socioloog wekenlang de handen vol had uit te leggen dat het hier niet ging om 'vijanden van de grondwet' of 'politieke extremisten' die het systeem omver willen gooien.

Wat kwelt deze onheilsprofeten, dat zij zo'n duistere toekomst voor hun land voorspellen? Volgens Heribert Prantl, die zich als provocerend en progressief afficheert, is in Duitsland een proces gaande van 'ontdemocratisering' en 'ontsolidarisering'. Hij hekelt het maatschappelijk klimaat waarin alles om de economie draait. Politici hebben hun macht uit handen gegeven aan de AG Standort Deutschland: de NV Vestigingsplaats Duitsland. De grondwet dreigt zo te verworden tot een wet op de ondernemingsraden van deze AG. Wie het laat afweten is een 'Misbraucher'. Een nieuw Deutschlandlied is niet meer nodig, gaat Prantl voort. 'Standort, Standort über alles', heet het. Wie zo'n hymne wil zingen, kan volgens hem de democratie aan de wilgen hangen om vervolgens, net als Hongkong en de Tijgerstaten, vanzelf tegen de muur op te lopen.

De publicist roept in zijn kruistocht tegen politiek en ondernemers zelfs op tot onvervalst antiparlementair verzet. Van een nieuwe regering - ook al voert SPD-kanselier Gerhard Schröder deze aan - verwacht hij weinig. Duitsland heeft namelijk niet alleen een machtswisseling nodig, het moet volgens Prantl een radicaal andere politieke weg inslaan. Een 'grote coalitie van partijen (CDU en SPD) acht hij heilloos: die leidt tot nog meer verlamming. Nee, een grote coalitie van burgers en burgeressen is nodig, van kunstenaars en vakbonden, van kritische politieagenten en kerken. 'Het is de hoogste tijd niet meer braaf te zijn', aldus Prantl.

Verrassender is de aanval die Konrad Adam als conservatief commentator bij de Frankfurter Allgemeine Zeitung op 'de politiek' lanceert (zie Boeken, 22 mei). Adam zoekt de oorzaak van de 'privatisering' van de politiek bij de politici zelf die hun eigen verantwoordelijkheden verwaarlozen. Het ontbreekt ze aan kennis en durf om vervelende besluiten door te zetten. Volgens Adam is daarom de rol van het Bundesverfassungsgericht in Karlsruhe als scheidsrechter steeds belangrijker geworden. Dit Constitutionele Hof is uitgegroeid tot een vervangende wetgever, die weerspannige parlementariërs op hun grenzen en taken moet wijzen. In een verwijzing naar Alexis de Tocqueville - die een eeuw geleden al vaststelde dat in rijke, verzadigde en oudere naties de angst voor de toekomst de loop der dingen beheerst - concludeert Adam dat de Duitse politiek ervoor waakt dat er nauwelijk iets verandert omdat twee van de drie Duitsers iets te verliezen heeft. Duitsland is hyperstabiel doordat de burgers een instinctieve afkeer hebben van alles wat nieuw is. Het is zo stabiel dat er geen beweging meer in zit.

Adam laat zich zozeer meeslepen in zijn onbehagen over de politiek dat hij de Bondsdag laatdunkend afschildert als een 'Banausenparlement'. Banause betekent burgerlijk, oppervlakkig, en in het hedendaagse Duitsland is dit een tamelijk overdreven verwijzing naar het begrip dat de socioloog Max Weber gebruikte voor het gebrekkig functionerende parlement tijdens de Weimarperiode. Helmut Kohl is voor hem de gebeten hond. Met zijn consensus-politiek van 'afwachten en uitstellen' heeft hij het politieke klimaat verziekt, aldus Adam. Door de vorming van de Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) dreigt ook de basis van de democratische rechtsstaat bovendien verloren te gaan, waarschuwt Adam.

Waar komt deze neiging tot apocalyptisch gesomber uit voort? Wordt het versterkt door het feit dat de Duitse 'mooi weer-democratie' voor het eerst na de oorlog tegenwind heeft gekregen? De ontwikkeling van de democratie ging tot voor kort immers steeds hand in hand met economische voorspoed. Pas nu de hereniging van de twee Duitslanden problemen aan het licht brengt, die vragen om herziening van een aantal sociale recepten, wordt de stormbal gehesen en de strijd aangebonden met de duivelse globalisering.

Alarmerend

De Berlijnse historicus Hagen Schulze van de Vrije Universiteit schrijft de golf van alarmerende publicaties toe aan het verlies van de 'unieke' betekenis van de nationale staat. “Pas na de Wende van 1990 is Duitsland een normaal, soeverein land geworden”, zegt Schulze in zijn werkkamer op de universiteit ter toelichting van zijn boek Phönix Europa dat eind deze maand verschijnt.

“Maar nu al wordt de republiek ingehaald door ontwikkelingen, die de soevereiniteit ondergraven. Andere Westeuropese landen hebben dit proces na de oorlog doorgemaakt, waardoor ze zich veel eerder met de afnemende rol van de nationale staat moesten zien te verzoenen.” Schulze wijst op het verlies van koloniën waardoor landen als Frankrijk en Groot-Brittannië hun macht danig zagen slinken. In Duitsland daarentegen heeft deze ontwikkeling geen rol gespeeld. De discussie over de natie was 'toegedekt'. De bijzondere positie van de Bondsrepubliek was immers gelegen in het feit, dat de jonge democratie zich programmatisch geen nationale staat mocht voelen. Een debat over de staat stond volgens Schulze al snel in het kwade daglicht van het nationaal-socialisme. “De filevorming in de discussie over de nationale staat heeft zich al die jaren opgehoopt. Pas met de val van de muur is het debat volop losgebarsten”, aldus Schulze.

Het verdwijnen van de Duitse mark speelt hierbij ook een rol. Sinds de negentiende eeuw is er weinig geweest wat Duitsland werkelijk heeft geïntegreerd. “Maar de trots op de snelle industrialisering werd door alle steden en staten gedeeld. Ook na de Tweede Wereldoorlog is de nationale identiteit voor een belangrijk deel gevormd door de economische prestaties, waarvan de D-mark het symbool is. Vooral oudere mensen voelen het verlies van de mark als een verlies van identiteit”.

Volgens Schulze is ook het wegvallen van 'het grote project Europa' een andere oorzaak van de sombere stemming in Duitsland. Na de oorlog hadden de Duitsers, veel meer dan andere landen, hun hoop op Europa gevestigd. “Men had besloten afstand te doen van de eigen, akelige geschiedenis en Europeaan te worden.” Dat werkte een tijd lang goed, omdat Europa geen politieke en economische werkelijkheid was. De Duitsers hadden een heerlijk ideaal dat nergens toe verplichtte. Maar sinds de hereniging beseffen de Duitsers plotseling dat Europa erg duur wordt en is de idealistische glans van Europa langzaam aan het verdwijnen. “Het is een proces van normalisering. Vele traditioneel denkende mensen valt het zwaar te accepteren, dat het grote tijdperk van de nationale staten eenvoudig voorbij is”.

Duitsland moet zich instellen op de veranderde werkelijkheid. Maar was het niet juist de confrontatie met de realiteit die de Duitsers zo ontmoedigend vonden? Dat betekent geenszins dat staat en politiek aan importantie hebben afgedaan. In veel opzichten blijven ze belangrijk, vooral omdat er in Europa geen ander 'huis' is voor de democratische instituties.

Maar onmiskenbaar is dat de politiek van karakter verandert. Het einde van de Koude Oorlog heeft tot een ontideologisering geleid, waardoor de traditionele partijen een andere functie hebben gekregen. Hun rol als sturende kracht van grote sociale bewegingen, tijdens het ontstaan van de moderne staten in de vorige eeuw, is verdwenen. Politici zijn leveranciers van diensten geworden en worden afgerekend op hun prestaties. Gerhard Schröder, de kanselierskandidaat, heeft gelijk wanneer hij het inhoudelijke vacuüm beschrijft met de opmerking, dat er geen sociaaldemocratische en geen christendemocratische, maar alleen nog moderne of niet moderne economische politiek bestaat.

Anti-partijen

Een nieuwe rol van de staat: dat is dan ook de uitdaging voor een jonge generatie schrijvers in Berlijn. Zoals Jan Ross en Bernd Ulrich, die in Die neuen Staatsfeinde en Deutsch, aber glücklich een sprong voorwaarts wagen. Zij zetten zich af tegen de oppervlakkige televisiedemocratie en het 'neo-Wilhelminische' welvaartsdenken. Zij willen inhoud geven aan de herwonnen soevereiniteit van Duitsland. Met woorden als 'civil society' en de 'Wende zum Weniger' zoeken ze naar wegen om de directe democratie te versterken, de individuele verantwoordelijkheid te vergroten en het sociale stelsel te vernieuwen.

Ook begrippen als 'natie' of 'recht en orde' vragen om nieuwe inhoud. Want verklaart niet het succes van extreemrechtse partijen dat de gevestigde politiek hier verzaakt? Het zijn deze anti-partijen, die vooral in het instabiele Oosten van Duitsland nieuwe en jonge kiezers weten te mobiliseren, die van de traditionele politiek weinig heil meer verwachten. Het verontrustende van het onderzoek naar 'Politikverdrossenheit' van Richard Stöss is dat het de omvang blootlegt van die lagen in de Oostduitse samenleving die weinig vertrouwen hebben in het democratische systeem en gevoelig zijn voor extreemrechtse propaganda: namelijk meer dan veertig procent.

Dat het de antidemocratische partijen tot nog toe nooit is gelukt de sprong in de Bondsdag te realiseren, is toe te schrijven aan de stabiliteit van de democratie in het Westen, waar de geallieerden de jonge Bondsrepubliek de weg wezen. Misschien zou de intellectuele gemeente in Duitsland er daarom nu beter aan doen zich serieus te bekommeren om haar democratisch gehandicapte broertje in het Oosten, dan weg te zakken in nostalgisch gemijmer over oude tijden.