De schoonheid van software

David Gelernter: The Aesthetics of Computing. Weidenfeld & Nicolson, 149 blz. ƒ 43,50

Een computerprogramma of een wiskundig bewijs kan even mooi zijn als een schilderij of een symfonie. Toch zijn maar weinig informatici zich van de schoonheid van hun vak bewust. De wereld zou er daarom een stuk beter aan toe zijn als op technische universiteiten ook kunstgeschiedenis en literatuur gedoceerd werd, vindt David Gelernter. Gelernter, hoogleraar informatica aan Yale, wil met The Aesthetics of Computing (ook verschenen onder de titel Machine Beauty. Elegance and the Heart of Technology) een lans breken voor de schoonheid van de technologie, in het bijzonder de informatica. Eerder schreef hij The Muse in the Machine (1994), een boek over kunstmatige intelligentie waarin het menselijke brein met een stuk software wordt vergeleken.

De schoonheid van computertechnologie wordt bepaald door de combinatie van eenvoud en kracht, schrijft hij. Een mooi programma is simpel en functioneel. Helaas worden de informatica-opleidingen en de markt volgens Gelernter verpest door techneuten die van kunst en cultuur geen benul hebben en derhalve ook niet in staat zijn een mooi (elegant, functioneel) computerprogramma te onderscheiden van een lelijk programma (zwaar, vol overbodige eigenschappen).

In het eerste deel van zijn boek lijkt het erop alsof Gelernter, die geldt als een van de autoriteiten op het gebied van de kunstmatige intelligentie, een esthetica voor computers wil ontwikkelen. Een esthetica waar de 21ste eeuw, die nog meer dan het huidige decennium door informatietechnologie beheerst zal worden, eigenlijk niet buiten kan.

Vlak voordat hij dit boek af had, viel bij Gelernter een bombrief in de bus van Theodore Kaczynski, beter bekend als de Unabomber, een technofobe seriemoordenaar die in mei van dit jaar in Amerika tot levenslang is veroordeeld. De explosie verbrijzelde Gelernters rechterhand en maakte hem aan een oog praktisch blind. Maar een techno-optimist, de doelgroep van de Unabomber, is Gelernter geenszins; al was het maar omdat er zoveel slechte en lelijke computersystemen in omloop zijn. Net als alcohol en televisie moet ook techniek met mate genoten worden, raadt Gelernter zijn lezers aan.

Na dit veelbelovende begin verzandt Gelernters boek in voorbeelden van perfecte computers en programmeertalen uit de jaren dertig en zestig die voor niet-ingewijden nagenoeg niet te volgen zijn. Ook op zijn computeresthetica krijgt de lezer geen vat omdat hij niet duidelijk maakt wat de veelvuldig gebruikte termen deep beauty en machine beauty nu eigenlijk betekenen. Omdat zijn esthetische opvattingen grotendeels virtueel blijven, is het niet mogelijk om Gelernters beweringen en ervaringen te toetsen aan het ideaal van een artistieke technologie dat hem voor ogen staat.

De bewering bijvoorbeeld dat schoonheid de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de informatica is geweest, valt te weerleggen met historische feiten. Het was immers de militaire behoefte om in de Tweede Wereldoorlog de Duitse geheime codes te kraken die de geboorte van de computerindustrie markeert. Ook Internet is ontstaan als militair netwerk. Een andere interpretatie van de geschiedenis van de informatietechnologie, vanuit esthetisch perspectief, kan heel boeiend zijn, maar blijft helaas achterwege.