De christologie van H.M. Kuitert; Elke tijd zijn eigen Jezus

H.M. Kuitert: Jezus: nalatenschap van het christendom. Schets voor een christologie. Ten Have, 320 blz. ƒ 39,90

Grote kerkgebouwen, ooit gebouwd om honderden gelovigen onderdak te geven, zijn op zondagochtend vaak nog maar gevuld met een handjevol mensen. Het aantal kerkgangers loopt al jaren terug. Ontkerkelijking en secularisatie kenmerken de Europese cultuur.

Toch zal de ooit dominante invloed van het christendom nog lang merkbaar blijven. De christelijke religie is bepalend geweest voor de manier waarop de westerse cultuur zich heeft ontwikkeld en heeft zowel haar uiterlijk als haar innerlijk bepaald. Kerken met naar de hemel wijzende torenspitsen zullen nog lang de contouren van stad en land mede blijven tekenen. De taal blijft vooralsnog doortrokken van uitdrukkingen uit de bijbel en het christelijke spraakgebruik. Veel literatuur is onleesbaar zonder kennis van de bijbelverhalen. Veel muziek en beeldende kunst kunnen niet op waarde geschat worden zonder besef van de christelijke traditie. Revolutionaire pogingen om de christelijke jaartelling te vervangen zijn in de geschiedenis gesmoord. We leven nog altijd Anno Domini, in het jaar Onzes Heren, 1998.

Het nadenken over wie Jezus was, is door de eeuwen heen nooit opgehouden. De discussie over zijn betekenis is een nooit eindigend proces. Het begon met Paulus, de 'dertiende apostel' van Jezus, die met de orthodoxe joden van zijn dagen in de slag ging, en het theologische debat duurt tot vandaag voort. Het deel van de theologie dat zich met de vraag naar Jezus' plaats en betekenis bezig houdt, wordt christologie genoemd.

Wat in dat theologische debat opvalt, is dat veel vragen die in de vroegchristelijke kerk al tot grote onenigheid leidden, zich in andere vorm telkens opnieuw aandienen. Zo werd in de eerste eeuwen hevig gestreden over de vraag naar de godheid of het mens-zijn van Jezus. De filosofische mode van die dagen neigde ertoe het mens zijn van Jezus te ontkennen. Het hellenisme, de toonaangevende filosofie van die dagen, zag het menselijke bestaan, het fysieke, als het mindere van het geestelijke. God die mens wordt, was een onvoorstelbaar idee, de omgekeerde wereld. Op het Concilie van Chalcedon in 451 legde de kerk zich vast op de twee-naturenleer: Jezus moest zowel de goddelijke als de menselijk natuur worden toegeschreven.

Reformatie

Na de Reformatie in de zestiende eeuw bleek de kijk op Jezus een van de belangrijkste splijtzwammen tussen de gereformeerden en de dopers. Onder invloed van de Verlichting verschoof het accent in de beeldvorming van Jezus steeds meer naar het menselijke aspect. Jezus werd tot een voorbeeld van burgermansfatsoen, een model van medemenselijkheid, een wijsheidsleraar met wie het tragisch afliep of een politieke en maatschappelijke bevrijder. Het New Age-denken maakt van Jezus een soort goeroe. Zo schept elke tijd zijn eigen Jezus.

Maar Jezus neemt, hoe dan ook, een centrale plaats in de christelijke traditie in. In dat licht is het dus niet onlogisch dat de gereformeerde emeritus-hoogleraar H.M. Kuitert na zijn eerdere boeken over het christelijke geloof met een eigen schets voor een christologie komt, getiteld Jezus: nalatenschap van het christendom. Christenen ontlenen hun naam aan Jezus, die Christus genoemd wordt. 'En het geschiedde (...) dat de discipelen het eerst in Antiochië Christenen werden genoemd', schrijft Lukas in Handelingen 11,26. Bezinning op de reden van die naamgeving - die kennelijk van buitenaf kwam - ligt dus voor de hand.

In eerdere boeken heeft Kuitert al aanzetten gegeven voor een vernieuwde christologie. In Het algemeen betwijfeld christelijk geloof (1992) omschreef hij het idee van de incarnatie, de menswording van God in de persoon van Jezus, als 'een mislukt denkmodel voor een mysterie. (...) Als denkmodel is de Twee naturen leer goed bedoeld - er is inderdaad een mysterie dat onder woorden gebracht moet worden - maar niet geslaagd'. In Zeker weten (1994) schreef Kuitert: 'Het terugdraaien van een overspannen christologie zie ik als een onontkoombare noodzaak, de christelijke kerk zou daar werk van moeten maken. Dat gebiedt de eerlijkheid.' De grote Duitse theoloog Karl Barth lachte de moslims uit wegens hun overdreven verering van de profeet Mohammed, maar gaan christenen zelf niet te ver in de verering van Jezus, vraagt Kuitert.

In zijn nieuwe boek pakt Kuitert de door hem zelf geformuleerde uitdaging op. In het licht van de gereformeerde traditie waartoe hij behoort, gaat hij over tot een wel zeer drastische ontmanteling van Jezus. Hij rekent niet alleen af met wat de kerkelijke traditie aan denkmodellen heeft bedacht, maar komt ook met een ultieme relativering van wat het Nieuwe Testament zelf over Jezus zegt. De vier evangeliën, die het verhaal van Jezus vertellen, leveren dat verhaal niet als feitelijke geschiedenis, maar in een geloofsverpakking. Het zijn vier traktaten, elk vanuit een eigen optiek geschreven. Je kunt daaruit niet opmaken wat Jezus zelf gezegd en bedoeld heeft. Alles wat over Boven gezegd wordt, komt van beneden, zoals Kuitert graag zegt. 'Jezus' betekenis is als het ware een ontwerp, er hangt een waas van voorlopigheid omheen, van relativiteit, die we niet kunnen opheffen en die we ook niet moesten willen opheffen!' De betekenis van Jezus komt van de lezer, van wat hij in hem ziet. 'Wat zei Jezus? is niet het punt, maar wat zegt hij. Wie op die vraag kan antwoorden zijn alleen wijzelf.' Het evangelie is literatuur en daarvoor geldt: 'beauty is in the eye of the beholder'.

Toch wil Kuitert niet te diep vallen in de kuil van de subjectiviteit. De bijbel is weliswaar van de lezer geworden, die de boodschap op een meer of minder orthodoxe wijze interpreteert, die een eigen uitvoering geeft aan de partituur van een muziekstuk, die er een eigen klankkleur aan geeft. Maar de bijbel heeft ook een eigen zeggingskracht - tegenover de lezer. Het punt waarop Kuitert zich dan concentreert is het feit dat Jezus heeft bestaan. Bij alle twijfels over wat Jezus gezegd en gedaan heeft, is in elk geval met zekerheid vast te stellen dat hij een jood was. Hij geloofde op joodse wijze in God. Daar is vaak weinig aandacht voor geweest, maar toch moet elke christologie daarmee beginnen, vindt Kuitert. Van de nieuw-testamentische schrijvers ziet hij dan in de jood Paulus degene die, zoals Kuitert het formuleert, hetzelfde 'zoekontwerp van God' als Jezus hanteerde. Wat Paulus in al zijn geschriften duidelijk maakt is dat 'Jezus de weg naar God (de God van de joden) voor de niet-joden is geworden'.

Die gedachte vonden de joden van Paulus' dagen onverdraaglijk. Voor hen was de weg naar God buiten de joodse wetten en regels om ondenkbaar. Als Paulus zich in Handelingen 22 tegen de aanvallen van de joodse orthodoxie verdedigt, loopt het allemaal goed totdat Paulus zijn eigenlijke missie ter sprake brengt, namelijk het evangelie naar de heidenen brengen. Dan ontsteken zijn toehoorders in woede. 'Zij hoorden hem aan tot dit woord toe, maar toen verhieven zij hun stem en riepen: weg van de aarde met zo iemand: want hij behoort niet te blijven leven.' Hier ligt, aldus Kuitert, de bron van het conflict tussen joden en christenen: de bewering van diens aanhangers dat in Jezus de muur tussen joden en heidenen was opgeheven.

Verzoening

Centraal bij Paulus staat het begrip verzoening en, in het verlengde daarvan, rechtvaardiging door het geloof, zonder 'werken der wet'. Mensen doen elkaar onrecht aan en daardoor overtreden zij Gods orde. Verzoening is, zoals in vele religies, het ritueel waardoor we Gods woede afwenden. Verzoening is een gebaar van de mens, die daarmee duidelijk maakt dat hij beseft dat het zo niet verder kan. Het bijzondere van de verzoening zoals die door Paulus wordt gepresenteerd, is dat het echter God zelf is die wat aan de verstoorde relatie doet. 'God was in Christus doende de wereld met zichzelf te verzoenen', schrijft hij. Kuitert: 'De kruisdood als ritueel dat de overtredingen van de wereld, van de niet-joden, wegdraagt. Aan deze uitleg van Jezus' dood hangt de christelijke geloofstraditie.'

Bij Paulus culmineert dat in de gedachte van de rechtvaardiging door het geloof, dat wil zeggen: de mens is zondaar, maar God rekent hem zijn zonden niet aan. Geloven is spelen dat we rechtvaardig voor God zijn, zegt Kuitert, en God speelt dat spel mee.

Maar op dat punt aangeland, werpt Kuitert heel wat theologie als ballast overboord. De leer van de twee naturen van Christus is een 'dogmatische fixatie' uit een bepaalde periode, die niet reëeler is als de nimbus rond het hoofd van Christus op middeleeuwse schilderijen. Ze was niet meer dan een aanduiding van de grote betekenis van Jezus. De leer van de Drieëenheid valt ook in de categorie 'voorbij'. Het was een poging om de combinatie God-op-aarde en God-in-de-hemel overeind te houden, maar Jezus was God niet, net zo min als Maria de Moeder Gods was - hoezeer de devotie dat ook wilde. De maagdelijke geboorte is een fictie, een typisch voorbeeld van de manier waarop het dogma de vroomheid volgt, een aanduiding van de behoefte om de bijzondere positie van Jezus te onderstrepen.

Datzelfde geldt voor de opstanding uit de dood. Het verhaal over het lege graf wil duidelijk maken dat God Jezus niet heeft laten vallen en dat Gods liefde ook door onze dood niet wordt te niet gedaan.

Kuitert vindt dat het christendom af moet van zijn fixatie op Jezus Christus, welke vorm die fixatie ook aanneemt: van de zwaar theologische bij Karl Barth tot de zoetsappige I love Jesus-stickers. Vooral van de laatste variant lijkt Kuitert een haast fysieke afkeer te hebben. Uitvoerig hekelt hij allerlei bevindelijk liedjes uit zijn jeugd, waarin Jezus bijna is verworden tot de teddybeer die een kind 's avonds ter geruststelling mee naar bed krijgt. De kerk moet niet tot Jezus bidden en ook geen liederen tot hem richten. 'Geloven is niet met Jezus als substituut-God verkeren, maar met God zelf.'

Wat kan de kerk dan nog wel over Jezus zeggen? Een nieuwe christologie moet zo dicht mogelijk bij de geloofstraditie blijven, meent Kuitert, maar zonder dat iemand die 'wat met Jezus heeft' zich buitengesloten hoeft te voelen. Daarvoor neemt hij zijn toevlucht tot een aloude drieslag: profeet, priester, koning - drie ambten uit de joodse traditie die even zo vele functies van Jezus laten zien. Het profetische wijst op de bezieling die door Jezus' woorden gewekt is, het priesterlijke op zijn dood aan het kruis, waar hij zichzelf offerde, het koninklijke op zijn heerschappij: hij is de weg naar God voor alle niet-joden, voor alle volken zonder onderscheid. 'Christenen hebben iets profetisch, iets priesterlijks en iets koninklijks over zich, iets van allure.' Bij mensen als Bonhoeffer, Martin Luther King, bisschop Romero zie je daar iets van.

De ontmanteling van Jezus omvat bij Kuitert ook een reductie van diens reikwijdte. Jezus is de poort naar God geworden voor niet-joden. Joden worden met zoveel woorden buitengesloten, omdat zij, als Gods eigen volk, een eigen toegang hadden en hebben. In het licht van de slechte behandelingen die de joden door de eeuwen van de kant van de christenen hebben ondergaan, klinkt dat sympathiek, maar deze opvatting strijdt met het beeld dat de evangelisten van Jezus eigen taakopvatting geven. Zij schetsen juist een terughoudendheid bij Jezus als niet-joden proberen mee te profiteren van zijn aanwezigheid.

Toen een Griekse vrouw in Tyrus aan Jezus om genezing van haar dochter vroeg, zei Jezus: 'Het is niet goed het brood van de kinderen (de joden) af te nemen en het voor de honden (de heidenen) te werpen.' Daarop antwoordde de vrouw, nogal gevat: 'Zeker Heer, maar de honden eten toch ook onder de tafel van de kruimels der kinderen.' Waarna ze toch de gevraagde genezing krijgt.

Als de apostel Paulus zijn zendingsreizen maakt, gaat hij in de steden die hij bezoekt zonder uitzondering eerst naar de synagoge, dat wil zeggen naar de joden. Pas als die zijn boodschap over Jezus afwijzen, predikt hij voor de niet-joden. 'Het evangelie is een kracht Gods tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de jood, maar ook voor de Griek', schrijft Paulus. Die volgorde krijgt zoveel nadruk dat dat wel niet voor niets zal zijn.

Wringen

Zo blijft Kuiterts christologie wringen. Terecht constateert hij dat de bronnen over het leven van Jezus vooral interpretatie geven, elk vanuit de eigen vragen en de persoonlijke invalshoek van de scribent. Niet voor niets hebben we de beschikking over brieven van vroege christenen die zich presenteren als Paulus, Petrus, Judas en Jakobus, plus nog vier evangeliën die het verhaal van het leven van Jezus vanuit een eigen optiek vertellen. Bovendien, en ook daar wijst Kuitert op, bestaat geschiedenis als waardevrij verslag van feiten niet: alle geschiedenis is interpretatie, al was het maar van wat wel en wat niet verteld wordt. Maar waarom zo radicaal afgerekend met voor het verstand inderdaad niet te beredeneren verhalen over zulke basale zaken als geboorte en opstanding van Jezus? Zijn die vandaag tegenwoordig echt ongeloofwaardiger dan toen? Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus, schrijvers van het invloedrijke protestantse belijdenisgeschrift de Heidelbergse Catechismus, zagen twee aspecten aan het geloof: een 'stellig weten' èn een 'vast vertrouwen'. Kuitert wekt de indruk aan dat vertrouwen op God te willen vasthouden, maar het 'stellig weten', de geloofsfeiten 'als korst van historisch gegroeide leerstelligheid' overboord te zetten.

In het hoofdstuk over de christologie betracht de theoloog Anton Houtepen in zijn recente boek God, een open vraag op dat punt terecht een eerbiedige terughoudendheid: 'Zoals we geen getuigen waren van zijn ontvangenis, tenzij door het woord van de engel, zo zijn wij het evenmin van zijn verrijzenis, tenzij door het woord van de engel van God. Wie meer speurwerk wil in Maria's schoot of in Jezus' graf schendt het mysterie van de aanraking Gods.' Wat met Jezus gebeurde, gaat de menselijke denkkaders te buiten. Waarom kan dat raadsel niet mysterie blijven?

Elke tijd schept zijn eigen Jezus. Kuitert schetst, in een glasheldere stijl en op meeslepende wijze, een beeld van een Jezus dat past bij déze tijd. Het beeld is verleidelijk en verrassend, omdat hij niet op zoek is naar Jezus' wezen, maar alle nadruk legt op diens functionaliteit, als poort naar God. De aandacht voor het profetische, priesterlijke en koninklijke van Jezus en de relativering die zit ingebakken in een uitdrukking als 'ontwerp van God' onderstrepen die functionaliteit. De geschiedenis leert echter dat Jezus-beelden komen en gaan - maar het verhaal van de evangeliën trotseert de tijd. Het is kennelijk zo sterk dat het elke interpretatie overleeft.