Biografieën van Anne Frank; Een morele schijnbeweging

Melissa Müller: Anne Frank. De biografie. Bert Bakker, 306 blz. ƒ 34,90 (geb. ƒ 45,–)

Carol Ann Lee: Anne Frank 1929-1945. Pluk rozen op aarde en vergeet mij niet. Balans, 352 blz. ƒ 39,50.

Wie meteen na het verschijnen van Het achterhuis in 1947 overwogen had een biografie van de zo jong omgebrachte schrijfster op te zetten, was door iedereen voor gek verklaard. 'Dit dagboek is geen wonderkinderenwerk', stelde zelfs de inleiding van Annie Romein al vast. Het was de roerende getuigenis van een 'impressionabel' meisje dat zich onder de uitzonderlijke druk van twee jaar onderduik versneld tot een volwassene ontwikkelde. Maar het was 'niet het werk van een groot schrijfster'. Al had ze dat misschien ooit kunnen worden, Anne Frank was een 'normaal kind'.

Ook haar leven voor en na die twee jaar onderduik had naar de waarden van die dagen geen bijzondere verdiensten die een biografie rechtvaardigden. In 1933, nauwelijks een half jaar na Hitlers machtsovername, had haar vader zijn bestaan in Frankfurt opgegeven om met vrouw en kinderen naar Nederland te komen. Maar zo bijzonder was dat niet, er trokken in die maanden duizenden joden uit Duitsland weg, en als het een verdienste was, dan toch van hem en niet van haar. Ze was net vier. Ze groeide daarna op in Amsterdam, met school en schoolvriendinnen, en daar was al helemaal niet veel van te vertellen. Belangwekkend werd het eigenlijk pas in de oorlog, met die onderduik en aan het eind daarvan, augustus 1944, de arrestatie. Maar ook dat was allemaal niet haar verdienste, als dat woord hier nog van toepassing kan zijn, en in haar laatste maanden, eerst in Auschwitz en daarna in Bergen-Belsen, was alleen in leven blijven al een onvoorstelbare verdienste. Dus wat viel er te verhalen toen ze vijftien jaar oud stierf, maart 1945? Ze was deel geweest aan een verbijsterend verhaal, maar was het haar verhaal?

Het is een zuinige, rechtlijnige manier van denken, die na vijftig jaar misschien niet altijd sympathiek stemt. Maar iets anders is of er wel zoveel tegen in te brengen valt, als je er nuchter tegenaan kijkt. Met een beetje denken zou je de bezwaren zelfs meer categorisch kunnen formuleren. Want hoe schrijf je over iemand die net vijftien werd? Een biografie van een kind, dat is een boek zonder held. Er loopt iemand in rond die min of meer probeert de lijnen van een leven uit te zetten, maar hij zoekt nog naar een grondgedachte, een patroon, een plot. Van een verhaal is hij alleen het voorwerk, niet meer dan een bloknootje met indrukken en doorgekraste, weer verworpen eerste zinnen.

En toch. Een jaar of vijftig na haar dood zijn er maar weinig levens in de wereld zie zo vaak verhaald zijn als juist dat van Anne Frank. Sinds het midden van de jaren vijftig, toen Het achterhuis vertaald werd in het Engels en succes kreeg in Amerika, is het bewerkt voor het toneel, de film en de klas. Het is gestaafd door onderzoek in tientallen archieven en door interviews met mensen die het meisje kenden. Het is omgewerkt en aangevuld en uitgedijd - en waarom toch? Omdat Het achterhuis toch net iets beter is dan Annie Romeins verontschuldigende woorden doen vermoeden, kun je aanvoeren. Want ook al lijkt het een onopgesmukte getuigenis, het toont bij al zijn kinderlijkheid wel degelijk ook een literair opmerkelijk talent. Maar aan de andere kant, zouden er niet honderden andere joden in de oorlog zijn geweest die ook een prachtig dagboek bijhielden en daarbij oud genoeg geworden zijn om wel als onderwerp te kunnen dienen voor een biografie? Waarom, uit zovelen, juist een kind gekozen?

Goedheid

Er is van Anne Frank één zin die altijd weer wordt aangehaald en die een antwoord op die vraag biedt. Het is een zin die ze zich in de laatste weken van het dagboek laat ontvallen, twee, drie weken voor haar arrestatie, als ze inziet dat de wereld haar geen reden geeft om van het leven nog veel zonnige verwachtingen te koesteren. 'Toch houd ik ze vast', noteert ze, 'ondanks alles, omdat ik nog steeds aan de innerlijke goedheid van de mensen geloof.' Het is een uitspraak die in de toneelversie van het dagboek maximaal benut wordt door hem aan het eind te zetten, als moraal van het verhaal, en die ook door de Anne Frank Stichting altijd is hooggehouden. Toen de filmer Willy Lindwer aan een documentaire over Anne Franks laatste maanden werkte en dus mogelijk de vraag zou stellen of het meisje ook nog aan de goedheid van de mensen bleef geloven toen ze werd vermoord, kreeg hij te horen dat 'het verschaffen van zulke informatie niet past in het beeld van Anne zoals de stichting dat naar buiten wil brengen'.

Dat typeert de situatie. 'Anne' is in onze wereld in de eerste plaats een beeld, dat in de tweede plaats verplicht getuigt van optimisme. Dat spichtige meisje van die altijd maar weer afgedrukte schoolfoto, armen over elkaar, een schrift op tafel, is veranderd in een wereldwijd erkend symbool van hoop en onschuld, moed en levenslust en wat er in de wereld allemaal nog meer opbeurend, tolerant en voor de mensenrechten is. Een beeld waarin inmiddels zoveel is geïnvesteerd dat het zichzelf in stand houdt - desnoods ten koste van de werkelijkheid van het meisje waar het ooit om was begonnen, als die niet meer 'in het beeld past'.

Het gekke van dit levensverhaal is daarmee dat het daar niet meer om lijkt te gaan. Dat het verteld en herverteld wordt is uiteindelijk niet omwille van de feiten, van de werkelijkheid, maar om iets dat daar bovenuit zweeft. De aantrekkingskracht is misschien juist wel dat er in zo'n jong leven nog zo weinig feiten zijn. Dat het nog onbeschreven is - in elk opzicht. Dat het nog niet bekrast is door het soort ervaringen dat mensen in volwassenheid hun onschuld afneemt, in de eerste plaats, maar ook dat het zich daardoor nog gemakkelijk laat invullen met wensen en dromen van anderen. De biografische zwakte van het leven is precies de kracht van het symbool.

Maar daarmee is het ook een raadsel, want waarom dan toch steeds onderzoeken naar dat leven? Waarom dat archiefwerk en die interviews, als het daar niet om gaat?

Dat is wat het interessant maakt om de twee biografieën te lezen die de afgelopen weken zijn verschenen. De een is Amerikaans van oorsprong (Roses from the earth. The biography of Anne Frank) en de andere Oostenrijks (Das Mädchen Anne Frank), maar beide zijn meteen al in vertaling uitgebracht. Hun roep is hen in de kranten vooruitgegaan, de Oostenrijkse komt zowaar met nieuws, waarover later meer. Maar intrigerend aan de twee is eigenlijk toch vooral dat ze bestaan - en dat de kranten er vervolgens nog eens vol van staan. Wat blijven wij toch zoeken in dat leven dat maar geen verhaal wil worden? Wat is daar de verborgen verleiding van, voor mensen in zo ongeveer de hele wereld?

In hun opzet, niet zo heel verrassend, lijken de twee boeken op elkaar. Ze openen beide met de Grote Scène van dit leven, 4 augustus 1944, de arrestatie, keren daarna terug naar het begin en werken het verhaal dan chronologisch af. Ze nemen het biografisch handwerk bovendien beiden serieus. Ze hechten aan de feiten en doen weinig moeite te maskeren dat die meestal minder zeggen over hun heldin, die leemte in haar eigen verhaal, dan over mensen om haar heen.

Zo is er veel over de organisatie van het achterhuis. Daar leefden niet alleen de Franks, maar ook de bevriende familie Van Pels en een man alleen, Fritz Pfeffer. Acht personen, voor wie er om te beginnen eten moest zijn en dus een voorraad voedselbonnen. Valse, dus er moest contact zijn met de illegaliteit. Er moesten boodschappers zijn, die met die bonnen naar de bakker en de slager gingen, die op hun beurt wel begrepen dat hier iets niet in de haak was en dus ook al te vertrouwen moesten zijn. Er was kortom een wijdvertakt en uitdijend gezelschap aan vrijwilligers in touw.

Verbazend is daarbij dat vader Otto Frank de hele tijd nog aan het stuur bleef van zijn twee bedrijven, Pectacon en Opekta, handelsondernemingen in respectievelijk kruiden voor de worstfabricage en geleermiddelen voor huisgemaakte jam. Hij had op tijd begrepen dat de Duitsers joodse bedrijven zouden onteigenen en speelde de zaken daarom zelf maar vast in handen van niet-joodse kennissen. Formeel althans, want achter een rookgordijn van lege NV's en papieren transacties waar een hedendaagse fiscalist nog wat van op kan steken, bleef hij doodgewoon de baas. En in de onderduik veranderde dat niet eens zoveel, want de kantoren waren gevestigd in het voorhuis, Prinsengracht 263, van het achterhuis. Als het personeel naar huis ging, hoefde hij maar naar voren te lopen om de post door te nemen. Zijn vervanger wist overal van.

Spreken

Het is een organisatie waaraan veel valt af te lezen. De gezindheid van Franks naaste medewerkers allereerst, de vanzelfsprekendheid waarmee ze de bezetter aan hun laars lapten. Maar ook het talent van Frank om hun loyaliteit te winnen, zijn mensenkennis en zijn organisatorische vernuft. De constellatie legt de hele wereld bloot waar Anne Frank in opgroeide en is daarmee een mooie toetssteen voor haar biografen. Want die kunnen de feiten wel geven, als ze ooit iets van hun opdracht willen maken zullen ze die toch ernstig aan het spreken moeten krijgen.

De Amerikaanse Carol Ann Lee valt dan meteen door de mand. Bij haar spreekt niets. Ze brengt geen samenhang in haar gegevens, zoekt daar schijnbaar ook niet naar en geeft in plaats daarvan alleen maar meer gegevens. Bijna de helft van haar betoog wordt ingenomen door CV's van iedereen die Anne Frank misschien weleens de hand geschud heeft, ooms en tantes, klasgenootjes en hun ouders, en die feitjes zijn vaak nog onduidelijk of onvolledig ook. Wat na te kijken valt, want nieuw zijn ze al evenmin.

Het raadsel van dit boek is dat er iemand is geweest die het heeft willen schrijven. Het stalt de feiten van het leven uit maar zoekt daar niets in, toont daar zelfs geen interesse voor, dus wat wil Lee vertellen? Ook al schrijft ze over de werkelijkheid van haar heldin, het lijkt wel of ze ondertussen toch vooral het ideale beeld van die heldin wil blijven koesteren. Ze is niet bang voor retoriek van hoop en onschuld en meldt, geheel ten overvloede, dat ze Anne 'aardig' vindt. Die duizenden feiten die ze geeft zijn niet haar onderwerp, ze zijn haar alibi.

Dan haar Oostenrijkse concurrente, Melissa Müller. Daar valt bij een eerste blik al meer aan te beleven. Haar vertaler, om maar iets te noemen, kan vertalen - wat niet het geval is bij het hele team dat Lee vertaald heeft en dat op gezette tijden spreekt van 'het directeur', 'dit vent', 'de Merwedeplein' en zo verder. Müller zelf kan bovendien schrijven, soepel en inlevend, en ze onderneemt een gedenkwaardige poging het onmogelijke van deze biografie toch mogelijk te maken. Bij haar gebeurt er iets tussen de feiten.

Dat merk je al wanneer ze schrijft over het veelbesproken nieuwtje van haar boek, dat van de vijf tot nog toe onbekende dagboekbladen. Die hebben de krant gehaald omdat ze een pikante visie geven op het huwelijk van de ouders Frank, maar zijn bij Müller interessant om heel iets anders. Frank heeft ze uit het gepubliceerde dagboek en ook verder uit de publiciteit proberen te houden om zijn privacy te sparen. Dat stelde hem voor een dilemma toen een Duitse rechter in de jaren zeventig, bij een van de processen tegen neo-nazi's die de echtheid van het dagboek aanvochten, eiste dat hij de originele dagboeken in zijn bezit voor onderzoek zou afstaan. Wat te doen? Hij gaf de bladen aan een vriend, zodat hij ze niet meer 'bezat'. Zo kon hij ze de rechter onthouden zonder al te hard te hoeven liegen en, belangrijk, zonder iets te hoeven vernietigen. Die vijf vel, dat is het subtiele, bleven in de wereld.

Die mengeling van zelfbescherming, vindingrijkheid maar voor alles toch respect voor het dagboek, tekent bij Müller zijn hele manier van omgaan met zijn dochter. Want ook bij leven en welzijn maakte Anne het hem niet eenvoudig. Ze was speels en grappig en dus vaak erg leuk, maar ook wel erg aanwezig. Ze hield zelden op met praten, had een groot gevoel voor drama en ging niet akkoord als iemand haar probeerde in te tomen. Ze had, om kort te gaan, de ruimte nodig - in een tijd waarin de nazi's die nu net beperkten. Ze had aandacht nodig - in een tijd waarin haar ouders wel wat anders aan hun hoofd hadden. Maar altijd was er vader, aldus Müller, die een uitweg voor haar zocht en uit een nadeel weer een voordeel wist te putten.

Zo hield hij, wetend dat ze droomde van een toekomst als filmster, filmavondjes thuis toen joden in 1941 niet meer naar de bioscoop mochten. Hij gaf haar een poes als troost toen zij die zomer als jodin niet terug mocht naar haar oude school en dus vriendinnen zou verliezen. Hij bracht haar manieren bij om greep op haar gedrag te krijgen, leerde haar 'dat je jezelf moet opvoeden' en hield haar voor dat zij dat kon. En zo was hij het ook die haar in juni 1942, voor haar dertiende verjaardag, ruim een maand voor hun onderduik, een cadeautje gaf dat binnen de beperkingen van dat bestaan misschien toch weer een nieuwe mogelijkheid zou openen. Een dagboekje.

Overrompelend

The rest is history, mag je wel zeggen, maar bij Müller krijgt het toch ineens iets overrompelends. '(...) ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn', zo zegt het voorblad van het dagboekje, en dat is net wat je vervolgens ziet gebeuren. In het achterhuis was er al helemaal geen ruimte meer voor haar temperament. Maar tijd was er genoeg, dus de gevoelens raasden rond en waar moesten ze heen? Het lijkt wel of de energie die ze niet kwijt kon in de buitenwereld als vanzelf naar binnen sloeg wanneer ze boven haar cahier zat. Ze ontwikkelde een kritische blik op haar huisgenoten, maar vooral ook op zichzelf, en kreeg belangstelling voor grote vragen over God en de natuur. 'Vroeger (...) vulden m'n pretjes en vriendinnen m'n hele denken. Nu denk ik óf aan ongelukkige dingen óf over mezelf.'

Over die ontwikkeling is meer te zeggen, meer ook wel dan Müller doet, die zich niet waagt aan interpretaties van de overlevingsmechanismen in dat schrijven. Maar ze ziet in elk geval dat in het dagboek naar een omgang wordt gezocht met de problemen van de onderduik. Ze voelt iets mee van de gemoedsbewegingen waar een puber in zo'n situatie mee te kampen heeft en weet, binnen die hopeloze grenzen van een leven dat na vijftien jaar al ophoudt, toch een paar jaar van bewegend beeld te laten zien. Haar Anne wordt een levend mens.

Maar voor we haar daar nu mee feliciteren - als je goed kijkt, zit er ook aan haar boek toch een rare inconsequentie. Want wat doet een biograaf als hij een nieuw beeld van zijn held schept? Hij neemt afstand van het oude. Maar zo werkt het hier niet. Müller noemt het bekende iconische beeld van Anne Frank in haar inleiding nadrukkelijk, maar verwerpt het niet en analyseert het ook niet. Sterker, ze ontkomt in het vervolg nog steeds niet helemaal aan de bijpassende retoriek van hoop en onschuld. Die draait door. Het lijkt wel of de werkelijkheid die ze oproept het symbool niet aantast, of ze daar afhankelijk van blijft, en hoogstwaarschijnlijk kan dat ook niet anders. Als ze het symbool daadwerkelijk liet vallen, zat ze met de biografie van een 'normaal kind', om met Annie Romein te spreken - en dan was er voor die biografie geen reden meer.

Zo komt Müller na dappere strijd toch in precies dezelfde spreidstand te staan als Lee: met één been in de werkelijkheid, maar met het echte standbeen altijd nog in het symbool. Ook haar boek toont de werkelijkheid niet als een doel op zich maar als een afgeleide daarvan. Een alibi, nog steeds, en de vraag is dus: voor wat dan toch?

Müller geeft een clou als ze, vooraf, de keuze van haar onderwerp toelicht. Ze had als kind Het achterhuis gelezen, zegt ze, en was daarbij overvallen door vragen over 'het waarom', maar had daar thuis geen overtuigend antwoord op gekregen. 'Zwijgen, spijt, verdriet', dat wel, want we zijn hier in Oostenrijk 'maar geen verklaringen'. Zo drongen zich de vragen nogmaals op toen ze het dagboek later teruglas. 'Het dringendst de vragen naar de omstandigheden waaronder mensen in staat waren een dergelijke onbegrijpelijke onmenselijkheid aan de dag te leggen', schrijft ze, en dat geeft haar boek een loodzware last te torsen. Het is niet zomaar het verhaal van Anne Frank, het is een poging de jodenvervolgingen te begrijpen.

Nobele ambitie

Dat is een nobele ambitie, maar een denkfout. Wie wil weten hoe een man een vrouw verkracht, moet niet bij de vrouw maar bij de man zijn. Voor een daad moet je de dader hebben, niet het slachtoffer, dus waarom zou je bij de joden moeten zijn om hun eigen vervolging te verklaren?

Gekker nog is het om daar juist Anne Frank voor uit te kiezen. Want wie er in Het achterhuis ook mogen voorkomen, niet haar vervolgers, daarom zat ze nou net in het achterhuis. De dreigementen en de deportaties, het bleef allemaal verborgen achter de verduisterde ramen. Het bestond maar al te zeer, maar toch voornamelijk in de vorm van angsten en geruchten. Dat is de ironie van dit beroemde document van de jodenvervolgingen onder de nazi's, uitgegeven in tientallen talen en verkocht in tientallen miljoenen exemplaren - dat het nauwelijks van die vervolgingen vertelt.

Nu kan dat toeval zijn, die ironie, zoals het misverstand van Müller onopzettelijk kan zijn. Maar het strookt precies met de manier waarop wij ons die uitroeiing willen herinneren. Nu al zo'n kleine vijftig jaar bereiken boeken over joodse lotgevallen in de oorlog een massaal publiek. Wij zijn geheel bereid tot medeleven, blijkbaar, en dat is ook het minste wat je mag verwachten. Maar veel minder graag verplaatsen we ons in de daders, daar houden we ons liever verre van.

Dat geeft aan Müllers misverstand een grote aantrekkelijkheid. Wie medeleven met het slachtoffer verwart met inzicht in de dader kan zich de ontdekking besparen dat hij alle eigenschappen in bezit heeft die de daad vereist en dat de wereld er ook alle denkbare benodigdheden bij kan leveren - te beginnen bij bureaucratische structuren waarin, net als onder de nazi's, niemand verantwoordelijk lijkt voor wat hij doet. In plaats daarvan geeft hij zichzelf een mooi gevoel. Veroordeelt de vervolgingen. Erkent het leed van de vervolgden, schaart zich aan hun kant en kiest daarmee voor zijn gevoel tegen het kwade en voor het goede. Voor de onschuld, voor de hoop. En wordt ook zelf een beetje goed.

Het is die zelfmisleiding, die morele schijnbeweging, die verklaart wat Müller, Lee en vele anderen maar blijven zoeken in het leven van dat ene meisje. Het verklaart de onvermoeibaarheid waarmee ze haar verhaal in steeds nieuwe nuances aflopen, alsof het niet een onderzoek maar een gebedsmolen was. Het verklaart waarom dat verhaal om een slachtoffer van de jodenvervolgingen draait dat weinig van die jodenvervolgingen verwoordt. Om een kind, bovendien, dat helemaal nog weinig te verwoorden had. Om een onderwerp, kortom, dat bij voorbaat weinig resultaat belooft. Want resultaat - daar gaat het uiteindelijk niet om. Het gaat om een ritueel, een uitbanning van het kwade en een schoonwassing van een slecht geweten. Een alibi.

Waarmee de ironie van de geschiedenis wel heel vuil naar dat meisje in het achterhuis begint te lachen. Want de schijn van inzicht in de jodenvervolgingen die uit het onderzoek over haar leven spreekt, hult de lezer in een aangename doezel waarin verder denken overbodig wordt. Juist dat onderzoek, hoe vreemd dat ook mag lijken, staat het inzicht in haar lot in de weg. Niet welbewust, maar daardoor juist zo effectief. Als Anne Frank echt een symbool is, dan is ze een symbool voor onze onwil om te zien wat haar vernietigde.