Zwarte koffie

Naam: Jan Derksen (79) Sport: baanwielrennen Periode 1938-1963 Beroep: gepensioneerd Prestaties: vijftienvoudig Nederlands kampioen en drievoudig wereldkampioen op de sprint

“Doping is zo oud als de sport zelf. Het heeft namelijk alles te maken met voeding. Als ik hoor wat die jongens van tegenwoordig allemaal tot zich nemen en ik vergelijk dat met wat wij destijds aten, dan is dat een wereld van verschil. Om een voorbeeld te noemen: voor elke koers aten wij twee eieren. Daar gingen we harder van fietsen. Dachten we. Als ze dat nu horen, weten ze waarschijnlijk niet wat ze horen. Spaghetti en andere pasta's zijn tegenwoordig vaste prik, maar wij dachten dat we er dik van werden. “Een lijst met verboden middelen bestond niet in onze tijd. Dopingcontroles waren er evenmin. Strikt genomen bestond doping daarom niet. Ik was een groentje toen ik in '38 bij de Nederlandse ploeg kwam. Gaandeweg kwamen we via de bondsartsen in contact met wat je prestatieverhogende middelen zou kunnen noemen. Het begon met druivensuikertjes en citroensap, later werden het vitaminepillen. B12 heten die dingen geloof ik. Dat was allemaal toegestaan, dus werd er absoluut niet geheimzinnig over gedaan. “Waar ik zelf altijd veel baat bij heb gehad, was zwarte koffie. Daar bleef je lekker wakker van, wat zeker bij de zesdaagsen van pas kwam. Van de 24 uur zaten we er 21 op de fiets. Na twee of drie dagen viel je van vermoeidheid van de fiets als je niets ondernam. En dus had iedere baanrenner altijd een volle thermoskan bij zich. Met wat wij destijds dronken zou je tegenwoordig een dopingzondaar zijn, omdat cafeïne op de lijst met verboden middelen staat. “Doping is niet uit te roeien. Zoals gezegd, sport en doping horen bij elkaar, hoe triest dat ook is als je sommige verhalen van tegenwoordig hoort. Maar waar geld is - en dat is er ruim voldoende binnen de sport - daar is doping. Al maken ze de lijst nog zo lang, ze zullen de strijd nooit winnen. Daarvoor zijn de belangen veel te groot en de ploegartsen veel te slim. “In januari word ik tachtig. Ik fiets nog elke dag, als het weer het toelaat tenminste. Veertig kilometer per dag. Het gaat me goed af. Voor mij zijn die dagelijkse tochtjes het beste bewijs dat ik altijd gezond met mijn sport ben bezig geweest.”