Pensioenfondsen

Naar aanleiding van het artikel 'Pensioenfondsen zitten op doornen' (NRC Handelsblad, 29 augustus) de volgende kanttekeningen.

Voor de planning van een zekere aanvullende pensioensopbouw en berekening van bijbehorende premie wordt van een, in de jaren vijftig vastgestelde, rekenrente van vier procent uitgegaan. Gedurende de afgelopen tientallen jaren is het gerealiseerde rendement op de ingelegde premies beduidend hoger. Het begrip rekenrente is een eigen leven gaan leiden en verheven tot norm voor het rendement dat aan de individuele pensioenrechten wordt toegerekend. Het meerdere van het ontvangen rendement kreeg ten onrechte de aanduiding overwinst en wordt van de opgebouwde pensioenrechten van de premiebetaler/pensioengerechtigde, de deelnemer, overgeheveld naar de reserves van het fonds. Hiervoor zijn geen goede gronden te bedenken.

Een pensioenfonds is een beheerder, ontvangt een vergoeding voor de diensten en bedient zich niet van de opbrengsten uit het beheerde. Het kan hier om ettelijke honderdduizenden guldens opbouw per deelnemer gaan. Voor de hand liggend zou zijn geweest de rekenrente periodiek te herzien. Dat zou verhoging van de rekenrente, vermindering van de premies en overheveling naar de fondsreserves hebben betekend. Indien de rente onder de vier procent zakt zou sprake kunnen zijn van 'onderwinst' die met de jaren lang ontvangen reserves uit overwinst aan gevuld zou kunnen worden. Sterker nog, de rente zakt dan wel richting vier procent, maar de rendementen die de fondsen behalen liggen rond twintig procent.

Als de rechter niet van oordeel is dat het volle rendement van de beleggingen van de premies aan de rechten van de desbetreffende deelnemer toegerekend (terugbetaald) moet worden, dan ligt hier een taak voor de volksvertegenwoordiging de wet te heroverwegen.