Indonesië moet af van apartheid

De Indonesische Chinezen zijn al eeuwenlang doelwit van discriminatie en geweld. Om daaraan een einde te maken is volgens Onghokham een andere kijk op de Indonesische samenleving nodig.

De Indonesisch-Chinezen, zoals ze worden aangeduid, vormen een belangrijk deel van Indonesië's midden- en hogere inkomensklasse van kapitalisten, ondernemers, zakenlieden, handelaren en vrije beroepsbeoefenaren. Er zijn weliswaar ook arme Chinezen: kleine middenstanders, arbeiders en zelfs boeren en vissers, maar in de toptien van Indonesische privévermogens staan de namen van zeven of acht etnische Chinezen, en van de tweehonderd rijkste Indonesiërs is meer dan de helft Chinees. Hun belangrijke economische positie blijkt wel uit de overwegend Chinese winkels in de hoofdstraten van Indonesische steden en dorpen. De detailhandel is een belangrijke bron van inkomsten.

De Chinezen vormen geen homogene groep en vertonen een haast even grote verscheidenheid als de Indonesische archipel. Op Java zijn de Chinezen al voor de komst van de westerlingen individueel of in kleine groepen geïmmigreerd. In West-Kalimantan (Borneo) en langs de oostkust van Sumatra kwamen de Chinezen als geïmporteerde arbeiders en met hele gemeenschappen tegelijk. In Noord-Sulawesi (Celebes) en op de Molukken zijn ze goed geïntegreerd met de plaatselijke bevolking.

De herkomst van de Chinese minderheid dateert, zoals zoveel dingen in Indonesië, uit de tijd van het Nederlandse koloniale regime. Zowel de Nederlanders als de Chinezen dreven handel en kwamen met dat doel naar de archipel. Al vanaf de begintijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) werden de Chinezen handelspartners van de Nederlanders en die positie als middle men hebben ze altijd behouden.

Dat betekende niet dat de relaties altijd even goed waren. De eerste slachting onder Chinezen werd al in 1740 in Batavia aangericht, door de Nederlandse burgerij van die stad. Na dit incident voerde Nederland een strikter en meer officieel segregatiebeleid in zijn koloniën. De Chinezen moesten in Chinese wijken wonen die in elke stad te vinden waren, en voor verkeer tussen de Chinese wijken waren pasjes vereist. Dit stelsel van Chinese wijken (getto's) en pasjes, dat de mobiliteit van de Chinezen beperkte, is pas in 1905 afgeschaft.

Dat het Nederlandse koloniale stelsel de Chinezen opzettelijk hun economische positie zou hebben bezorgd, is een mythe. Er leefden integendeel sterke anti-Chinese sentimenten, vooral onder de Nederlandse koloniale ambtenarij. Dit sentiment deed zich vooral gelden in de periode van de zogeheten 'ethische politiek' (na 1901) waarbij het belang van de inheemse bevolking voorop werd gesteld. Dit anti-Chinese beleid belette overigens niet de economische bloei van de Chinezen. Rijkdom wordt in de Indonesische archipel van oudsher vergaard via overheden. In de negentiende eeuw pachtten Chinezen koloniale belastingen op bijvoorbeeld opium en beleningen, wat hen niet direct populairder maakte. De pacht was doorgaans in handen van semi-dynastieke dorpshoofdenfamilies of de zogeheten officiersfamilies. Ze waren doorgaans ook de belangrijkste handelaren omdat ze als officiële belastingpachters waren vrijgesteld van restricties aan hun bewegingsvrijheid. Dit stelsel werkte de ontwikkeling van het Chinese zakenleven in de hand.

Intussen waren de Chinezen als handelspartners van de Nederlanders onderworpen aan de Nederlandse wet, met name de eigendoms- en bedrijfswetgeving. En sinds het begin van de twintigste eeuw vielen de Chinezen zelfs onder het Nederlandse familierecht. De Nederlandse wet verleende de Chinezen eigendoms- en rechtszekerheid.

De Indonesiërs waren, en zijn nog altijd, gebonden aan het adatrecht. De Chinezen ontleenden hun economische positie in de koloniale tijd aan de westerse wetgeving en het feit dat ze als handelaren waren geïmmigreerd. Hierdoor waren ze immuun voor de Nederlandse ambtenarij en haar sentimenten, die wel de kwalijkste werden genoemd onder de koloniale mogendheden met Chinese onderdanen, zoals Groot-Brittannië en Frankrijk. Men zegt wel dat ex-koloniale landen vaak een weerspiegeling van hun koloniale verleden zijn; de huidige anti-Chinese sentimenten onder de Indonesische bureaucratie zouden ook wel eens uit dat verleden kunnen stammen.

Als gevolg van het koloniale anti-Chinese beleid ontstond op Java de zogeheten Chinese beweging, die streefde naar emancipatie van de Chinezen en ondermeer eiste: opheffing van de restricties aan de bewegingsvrijheid van Chinezen, gelijkheid voor de wet en de oprichting van Chinese scholen. Rond 1900 waren de meeste van de Chinese eisen ingewilligd en de koloniale overheid richtte Nederlands-Chinese Scholen (HCS) op, nog vóór de Nederlandse scholen voor inheemsen (HIS).

Toen de regering de Chinezen in 1905 bewegingsvrijheid toestond, kon het Chinese geld ook buiten de 'China-towns' komen, waar het steeds sterker ging concurreren met de Javaanse ondernemersklasse.

In 1918 vonden de eerste anti-Chinese rellen plaats in de stad Kudus, waar een sterke Javaanse en islamitische burgerij leefde. De aanleiding was een Chinese tempelprocessie waaraan de moslims zich stoorden. Maar dit rassenincident deed zich voor tegen een achtergrond van klassenrivaliteit. Ook andere Indonesische politieke bewegingen waren exclusief, dat wil zeggen alleen voor Indonesiërs. Zelfs de PNI (Nationalistische Partij) van Soekarno liet Chinezen alleen als waarnemers toe. Een uitzondering vormde de Indische Vereniging van Tjipto Mangoenkoesoemo, Douwes Dekker en Ki Hajar Dewantara, die Chinezen en anderen wel als lid toeliet. Die exclusiviteit werd pas enigermate doorbroken in de jaren dertig, toen door gestudeerde Chinezen, onder wie advocaten, de Partai Tionghoa Indonesia (Chinees-Indische Partij) werd opgericht die ijverde voor een onafhankelijk Indonesië. Eind jaren dertig liet de linkse PARTINDO van Amir Syarifudin ook Chinezen toe, terwijl de rechtse PARINDRA hen bleef weigeren.

Zo stond het met de 'apartheid' in Nederlands-Indië toen de Japanners het gebied in 1942 binnenvielen. Dat was het moment waarop voor het eerst massaal geweld losbarstte tegen de Chinezen, meest aan de noordkust van Java. En vanaf die tijd is de geschiedenis van Indonesië er een van geweld, zeker in vergelijking met naaste buurlanden als Singapore, Maleisië en Thailand. Echter, niet alle geweld richtte zich tegen de Chinezen. In de eerste dagen van de revolutie werden ook Euraziaten, Molukkers en de traditionele elites van regenten en vorsten getroffen.

In de jaren vijftig werden anti-Chinese maatregelen getroffen zoals de 'Benteng'-politiek, die streefde naar de opkomst van een Indonesisch zakenleven; later werd het Chinezen verboden buitenlandse handel te drijven of zich te vestigen in agrarische gebieden.

Begin jaren zestig, toen de economische situatie verslechterde en de Chinezen een speelbal van de Koude-Oorlogspolitiek werden, vonden in de steden verschillende keren ernstige anti-Chinese onlusten plaats. Tijdens de burgeroorlog van 1965-'66 richtte het geweld zich echter meest tegen de communisten, en de weinige Chinese slachtoffers waren communisten of fellow-travellers. Buiten Indonesië echter deden wilde verhalen over bloedbaden onder Chinezen de ronde. Waarschijnlijk waren die te wijten aan het anti-Chinese culturele beleid van de nieuwe regering, zoals een campagne voor naamsverandering, acties tegen Chinees schrift, en een verbod op Chinees toneel (maar niet op films) en Chinese festiviteiten.

Onder de 'Nieuwe Orde' bleef de Chinese kwestie bestaan en verergerde die waarschijnlijk zelfs, door de steeds bredere kloof tussen arm en rijk, de lage verdiensten van ambtenarij, militairen en politie, en de voortschrijdende islamisering van de samenleving terwijl de Chinezen zich juist steeds vaker tot het christendom bekeerden.

Het geweld onder de Nieuwe Orde heeft een raciale en een religieuze kant. Niets werkt zo destabiliserend als geweld, ongeacht wie aan de macht is. Geweld is naar zijn aard revolutionair. Geweld gepleegd tegen de maatschappij en de burgers, door de staat of elementen in de samenleving, is altijd misdadig, tegen wie het zich ook richt. Beseft moet worden dat de oplossing van conflicten niet is gelegen in geweld, maar in een veranderde visie op de maatschappij als een etnisch gevarieerde, multiraciale, multiculturele en religieus diverse samenleving. Het land Indonesië is, net als de Indonesische nationaliteit, in de eerste plaats een politiek concept. En dus is het nodig voor de stabiliteit van het land dat de apartheids-gedachte verdwijnt.

De anti-Chinese rellen die recent hebben gewoed, hebben grote schade veroorzaakt en waren het gevolg van een politiek van 'apartheid' en isolationisme. Als economische middenklasse hebben de Chinezen individuele creativiteit en zakelijk talent aan de dag gelegd die de feodale (nepotistische) elites een doorn in het oog zijn.

Zij worden echter evenzeer geobsedeerd door macht en status als de Chinezen door geld. Thans is het particuliere bedrijfsleven bankroet door de val van de roepia, en ook fysiek is het geruïneerd nu bankgebouwen, fabrieken, winkels, en supermarkten in de hoofdstad en elders in vlammen opgaan terwijl overheid en leger snel aan gezag inboeten. De geschiedenis van Indonesie is cylisch, maar men weigert koppig ervan te leren.