Het verschil tussen een boef en een ritselaar

Opnieuw dreigt een impeachmentonderzoek tegen een zittende president. Maar het geknoei van Bill Clinton is niet te vergelijken met de duistere machinaties van Richard Nixon.

ROTTERDAM, 17 SEPT. “Het is eerder gebeurd: een president die werd gedwongen om af te treden. Zo hebben we een precedent geschapen dat het makkelijker maakt om het opnieuw te doen.”

Aldus waarschuwde Bernard Nussbaum, een voormalige advocaat van het Witte Huis onder Clinton, aan de vooravond van de publicatie van het rapport-Starr. Daarin concludeerde de onafhankelijke aanklager dat er gronden zijn voor een speciale afzettingsprocedure (impeachment) tegen Clinton.

De in de opmerking van Nussbaum besloten waarschuwing dat het Starr makkelijk wordt gemaakt nu het eerste schaap over de dam is gegaan, is niet vrij van ironie. Nussbaum diende - net als de jonge juriste Hillary Rodham, de huidige First Lady - in de staf van de Commissie voor Justitie van het Huis van Afgevaardigden die in 1974 de stoot gaf tot het aftreden van president Nixon onder dreiging van impeachment. Dat was voor de eerste maal in de Amerikaanse geschiedenis.

Impeachment is zelden toegepast en dan nog voornamelijk tegen rechters. Nu het om een president gaat, vormt het Watergate-schandaal, dat de aanleiding tot het opstappen van Nixon vormde, het belangrijkste precedent. Er is overigens ook een near miss: in 1868 kwam de Senaat (die uiteindelijk over afzetting beslist) één stem te kort voor een veroordeling van president Andrew Johnson. De omvang van de tegenstand was overigens groter dan die ene stem aangeeft. Het impeachment van Johnson geldt van oudsher namelijk als een zeer verpolitiekt proces.

Op zichzelf heeft de speciale afzettingsprocedure echter onvermijdelijk een politiek karakter, zo blijkt uit een rechtshistorische studie van Raoul Berger van de Harvard Universiteit uit 1973. Dat is zeker de les van Watergate: “technisch-juridische punten zijn niet de basis voor de verdediging”, zoals een ervaren pleiter opmerkte. Hij was persoonlijk tégen impeachment van Nixon.

Watergate was echter wel andere koffie dan Monicagate - of Travelgate (het vervangen van de staf van het reisbureau van het Witte Huis door de Clintons) of Filegate (beweerd misbruik van FBI-dossiers door het Witte Huis) of zelfs Whitewater, de schemerige onroerend goedspeculatie in Arkansas toen Clinton daar gouverneur was, waarmee het onderzoek van Starr begon.

Nu zijn het niet zozeer de eventuele knoeierijen van Clinton als zodanig die de inzet van het onderzoek vormen, maar de vraag of hij in strijd met zijn hoge ambtsplicht de loop van het justitiële onderzoek heeft tegengewerkt. Dat was bij Watergate ook het springende punt. De aanleiding verschilde echter van het in oorsprong particuliere gesjoemel dat Clinton wordt nagedragen. Aanleiding tot Watergate was het betrappen van een vijftal onhandige inbrekers bij het hoofdkwartier van de Democratische partij in het gelijknamige luxe appartementencomplex tijdens de campagne van Nixon voor zijn herverkiezing in 1972.

Een “derderangs kraakje”, suste het Witte Huis. Het zou deze kwalificatie berouwen. Het bleek dat de inbrekers niet uit waren op geld of goed maar op politieke spionage. Dank zij het speurwerk van twee verslaggevers van de Washington Post - vereeuwigd in de film All The President's Men - en onverzettelijk dóórvragen van rechter John Sirica leidde het spoor van de 'Watergate Vijf' naar de verkiezingsorganisatie van Nixon en een geheim fonds voor vuile trucjes tegen politieke tegenstanders. En van dit comité voor herverkiezing voerde het spoor naar het Witte Huis.

Nu kan er van alles uit de hand lopen in een Amerikaanse verkiezingscampagne. Maar Watergate sloeg alles. Tekenend is deze ontboezeming van de speciale aanklager Leon Jaworski in zijn memoires: “Ik had verwacht allerlei wangedrag van zijn stafleden aan te treffen, onbetamelijk en zelfs crimineel gedrag, maar het was niet in me opgekomen dat de president zelf achter het stuur zat.” De sleutel tot deze conclusie vormde de ontdekking dat Nixon alle conversaties in zijn werkkamer heimelijk op de band placht op te nemen. Om die geheim te houden, vocht het Witte Huis onder Nixon bijna twee jaar met hand en tand tegen de justitiële en parlementaire onderzoeken die het derderangs inbraakje ontketende.

Het verzet van Nixon ging aanmerkelijk verder dan de leugens en het gedraai van Clinton. Nixon ging zelfs zo ver een bevel te geven om de eerste onafhankelijke aanklager Archibald Cox, de voorganger van Jaworski, te ontslaan toen deze hem te dicht op de huid kwam. De minister van Justitie en diens plaatsvervanger traden liever af dan aan het presidentiële bevel gevolg te geven (de tweede plaatsvervanger gehoorzaamde tenslotte). Deze episode - de zogeheten Saturday Night Massacre - vormde de aanleiding tot speciale wetgeving voor de onafhankelijke aanklager, die nu een lanceerbasis voor Starr tegen Clinton is gebleken.

Watergate betrof meer dan een verklungelde inbraak. Al gauw bleek dat het Witte Huis van Nixon er een particuliere geheime dienst op nahield - de zogeheten “loodgietersploeg” - die telefoons van medewerkers en journalisten aftapte en zelfs niet uit de weg ging voor inbraak. Een van deze acties betrof Daniel Ellsberg, een voormalige medewerker van het Pentagon die uit gewetensnood maar tot grote woede van de president een belastend dossier over de Vietnamoorlog had gelekt naar de pers.

Daarbovenop kwamen het inzetten van de belastingdienst tegen politieke tegenstanders van de president en pogingen om de FBI en de CIA als dekmantel te gebruiken voor zijn politieke operaties. Het hield niet op: Nixon zou in 1971 de melkprijssubsidies hebben verhoogd voor een tegenprestatie, hij had Cambodja gebombardeerd zonder de vereiste toestemming van het Congres en hij had zijn buitenhuis laten verbouwen op staatskosten.

Watergate omvatte een enorme samenzwering en Nixon trad pas af nadat een serie van zijn naaste medewerkers voor de bijl was gegaan. Belangrijke stafleden van het Witte Huis, waaronder de juridische raadsman John Dean en zijn adviseur voor Binnenlandse Zaken John Ehrlichmann, liepen een strafrechtelijke veroordeling op. Dat was zelfs het loon voor twee voormalige ministers van Justitie (Mitchell en Kleindienst).

Anderhalf jaar na de inbraak begon de Commissie voor Justitie van het Huis van Afgevaardigden een impeachmentonderzoek, heel rustig achter de gesloten deuren van kamer 2141 van het Sam Rayburn-gebouw. Cambodja en corruptie zouden het tenslotte niet halen. Het impeachment-voorstel concentreerde zich op belemmering van de rechtsgang en misbruik van macht. Daarbij eiste het Congres een smoking gun: een direct bewijs van de betrokkenheid van de president. De geluidsbanden die Nixon na de uitspraak van het Hooggerechtshof moest afgeven, gaven dit tenslotte prijs, ondanks het befaamde gat van 18 minuten als gevolg van “een ongelukje” van zijn privé-secretaresse. De president bleek al een week na de Watergate-inbraak te hebben geweten van de cover up in plaats van een jaar later, zoals hij steeds had volgehouden.

Van de zeventien Republikeinse commissieleden, de partijgenoten van Nixon, stemden respectievelijk zeven, acht en twee vóór de drie onderdelen van de aanklacht. Nixon wachtte de stemming in de plenaire vergadering van het Huis van Afgevaardigden niet af en trad af op donderdag 8 augustus 1974. “De Constitutie leeft en maakt het goed”, zette de bekende historicus Henry Steele Commager de zondag daarop boven een artikel op de opiniepagina van de New York Times.

De vraag is natuurlijk of een moderne staat zich de langdurige periode van onzekerheid die de volle impeachmentprocedure meebrengt, nog kan veroorloven. Dat is ook nu weer de vraag in Washington. Er zijn meer curieuze raakvlakken. 'Operatie Openheid' bijvoorbeeld, het wanhoopsoffensief van Nixon dat vooraf ging aan de start van de impeachmentprocedure. Hij ontving vrijwel alle 234 Republikeinen in het Congres in ontbijtsessies en ook nog 46 Democraten. Zie Clinton's 'gebedsontbijt'.

Nixon bekende alleen geen schuld. Integendeel, hij verliet zelfs de belegerde veste die het Witte Huis was geworden om het land in te gaan. Dat leverde niet veel op, behalve dan die memorabele bezweringsformule, in Disneyland op 17 november 1973: “I'm not a crook”. En wat zei Clinton begin maart op een persconferentie? “Ik heb niets verkeerds gedaan”. Toch blijft er wel enig verschil tussen een boef en een onverbeterlijke ritselaar.