Een Europese heffing ten kwade van de eigen textielindustrie; De vernieuwers bestraft

Bij gebrek aan EU-protectie heeft de Europese textielindustrie zich veel concurrentie van elders van het lijf kunnen houden door zich toe te leggen op bijzondere kwaliteiten. Maar nu is er door de Europese Commissie een (voorlopige) antidumping- maatregel uitgevaardigd die een achtergebleven deel van de industrie beschermt - de fabri- kanten van ongebleekt katoen. De maatregel bedreigt echter het bestaan van de vernieuwers. Wat is er precies aan de hand?

Europese textielveredelingsbedrijven moeten de komende vijf jaar in totaal bijna een miljard gulden aan heffingen op ongebleekt katoendoek gaan betalen. Tenminste, als een voorlopige antidumpingmaatregel van de Europese Commissie definitief wordt. Gewoonlijk blijft zo'n maatregel vijf jaar van kracht.

Het gaat om een heffing van gemiddeld veertien procent op de invoer van deze stof uit vooral China, Indonesië, Egypte, India, Pakistan en Turkije. Deze landen leveren jaarlijks zo'n 120.000 ton katoenen 'ruwdoek' aan de Europese markt en voorzien daarmee voor ongeveer 35 tot 40 procent in de behoefte van die Europese bedrijven, die het katoendoek bleken, verven, bedrukken, bewerken en aan de rol afleveren aan bijvoorbeeld kledingfabrikanten, meubelmakers en producenten van huishoudtextiel als gordijnen en grand foulards. Europese fabrikanten van dat ongebleekt doek zijn slechts goed voor ongeveer 90.000 ton en zijn in staat niet meer dan een kleine 26 procent te leveren van de totale Europese behoefte.

“De maatregel heeft sinds april een voorlopig karakter. Dat wil zeggen dat deze bedrijven sindsdien al die heffing moeten storten op een geblokkeerde geldrekening van de Commissie. Maar als de maatregel begin oktober inderdaad definitief van kracht zou worden - voor vijf jaar - kan het moeizame leven van zo'n 5.000 spinners en wevers bij circa dertig bedrijven in de zuidelijke lidstaten van de Unie nog even worden gerekt. Meer dan 10.000 andere bedrijven in de textielbranche krijgen het dan echter heel moeilijk. Bij die bedrijven werken in totaal rond 150.000 mensen. Dat alles schijnt in het belang van de gemeenschap te zijn, want dat is de belangrijkste drijfveer bij het nemen van een antidumpingmaatregel”, zegt drs. C. Lodiers, secretaris-generaal van Criet. Bij deze Europese organisatie van textielveredelaars zijn branche-organisaties uit Italië, Denemarken, Oostenrijk, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Zwitserland en Nederland aangesloten. Ze zijn verbijsterd over het voornemen van de Commissie. Zeven jaar geleden al diende de Europese organisatie van katoenspinners en -wevers, Eurocoton, een klacht in bij de Europese Commissie, omdat exporteurs uit de zeven betrokken landen ongebleekt katoendoek op de Europese markt zouden brengen tegen een prijs die 'significant' lager lag dan wat zij op hun eigen markt voor hun product rekenen. Op die manier veroveren zij op oneigenlijke wijze markten en daar moet iets tegen worden ondernomen, zo is de gedachte achter het systeem van de antidumpingmaatregelen. In een dergelijk geval kan de Commissie de import van een product dus moeilijker gaan maken door de Europese afnemers met een flinke heffing te confronteren.

“Er spelen continu antidumpingkwesties in Brussel”, zegt mr. H.J.J. Kruiper van het Nederlands Verbond van de Groothandel (NVG), een belangrijke partij in deze zaak. “Ze zijn in het algemeen erg gecompliceerd en sterk politiek ingekleurd. Maar van oorsprong is de bedoeling van dergelijke maatregelen dat de belangen van Europese bedrijven - meestal fabrikanten- er door worden beschermd. Het is een zuiver economisch instrument en dus gaat het niet aan antidumpingmaatregelen voor politieke doeleinden te gebruiken. Daar riekt het in het onderhavige geval ernstig naar.”

De eerste klacht van Eurocoton sneuvelde al in het onderzoeksstadium. Het is dus nooit tot een voorlopige antidumpingmaatregel gekomen. Een paar jaar later diende het in Brussel residerende Eurocoton echter opnieuw een klacht in. Op grond van die 'complaint' is de Commissie een onderzoek begonnen dat in hoofdlijnen tweeledig is. Vraag één is of er inderdaad sprake van dumping is en de tweede vraag luidt of er ook daadwerkelijk schade is bij de klagende bedrijfstak. De Commissie moet dus in de betreffende exporterende landen gaan kijken of er inderdaad exporteurs zijn die inderdaad ver beneden de lokaal geldende prijs exporteren. “Of daar goed naar wordt gekeken is overigens de vraag. Dat onderzoeksrapport is ook niet openbaar en niemand kan zien hoe de commissie tot haar oordeel is gekomen. Bovendien hebben we het idee dat de Commissie snel geneigd is alle exporteurs over één kam te scheren”, zegt Kruiper.

Na het onderzoek wordt op grond van een 'disclosure document' een 'voorstel tot een voorlopige maatregel' voorgelegd aan het Coreper, zoals dit orgaan in het Brusselse jargon heet. Dat is de vergadering van permanente vertegenwoordigers van de lidstaten bij de Europese Commissie. Het advies van deze ambassadeurs wordt doorgaans als hamerstuk overgenomen door de raad van ministers, die daarover een eindbeslissing neemt.

Bij die tweede klacht van Eurocoton was het - geheel tegen de routine in - de raad van ministers die de maatregel uiteindelijk van de hand wees. “Eigenaardig genoeg begon de Franse president Chirac zich toen ineens met de zaak te bemoeien en werd de kwestie zelfs opnieuw besproken tijdens de Europese top in Noordwijk, anderhalf jaar geleden. Dat was nooit eerder vertoond en je kunt je afvragen waarin het belang van Chirac schuilt om de zaak zo hoog op te spelen. Je zou bijna zeggen dat hij ten koste van alles de Franse spinnerijen en weverijen te vriend wil houden”, zegt Kruiper. “In elk geval heeft ook hij bakzeil gehaald.”

De Commissie trok de 'voorlopige maatregel' in en daarmee leek het dossier gesloten. Twee weken later lag er echter een derde klacht van Eurocoton bij de Commissie. “Dat was hoogst merkwaardig. Het leek er in alles op dat voorzitter Santer Eurocoton een handje geholpen had bij het formuleren van een nieuwe klacht. De 'complaint' was op drie A4'tjes geformuleerd en gaf hele globale cijfers. Het zogeheten 'disclosure document' - het eindoordeel van de Commissie - was bijgevoegd als bijlage bij de derde klacht. Zeer merkwaardig.”

“Bovendien behoort een klacht zich tevens te richten op de direct voorliggende periode. Bij die derde klacht van half '97 ontbraken cijfers van '96. Daarbij kwam dat de klacht ook nog eens een dag te laat werd gepubliceerd door de Commissie. Die publicatiedatum is van groot belang voor partijen die de klacht willen bestrijden, want die hebben daar slechts veertien dagen voor. Juridisch deugt die zaak dus van geen kant. De klacht is op formele punten ten onrechte geaccepteerd. Maar wat eigenlijk nog het ergste is, is dat de Commissie volledig voorbij is gegaan aan de community interest-toets. Een maatregel moet in het belang van de Europese gemeenschap zijn.”

Lodiers wijst er op dat de nadelige economische effecten van de antidumpingmaatregel voor de textielveredelaars veel groter zijn dan de - eventuele - kortetermijnvoordelen voor de wevers en de spinners. “Op de middellange en lange termijn is de hele keten de dupe. Importeurs, middenstand, noem maar op en daarmee dus ook de Europese weverijen en spinnerijen. Want wat je nu al ziet is dat bedrijven voor kant-en-klaarproducten uitwijken naar andere ontwikkelingslanden”, zegt Lodiers. “Daarmee raken de Europese wevers en spinners dus ook klanten kwijt.” De wereldwijde textielindustrie is zo oud als de industrie zelf. Zij bestaat uit spinnerijen, weverijen, ververijen, bedrijven die halffabrikaten maken en producenten van kleding en huishoudtextiel. Kapitaal en technologieën in deze sector zijn volledig geglobaliseerd. Landen die van oudsher een minder ontwikkelde textielindustrie hebben, kunnen daardoor meedoen in het productieproces.

Met het oog op de loonkosten heeft dat natuurlijk wel geleid tot scherpe concurrentie. Ook binnen Europa is die concurrentie toegenomen als gevolg van de harmonisatie van de interne markt. Dat heeft weer tot gevolg gehad dat Europese bedrijven gedwongen zijn geweest te zoeken naar bijzondere toegevoegde waarden. Zij maken bijvoorbeeld hele complexe producten, waartoe bedrijven in ontwikkelingslanden niet in staat zijn. Of zij maken gebruik van bijzondere garens, maken originale ontwerpen of zorgen voor uitzonderlijke kwaliteit.

Dat is volgens Lodiers ook de enige manier voor de Europese textielindustrie om te overleven en politici op zowel nationaal als Europees niveau hebben bij verscheidene discussies beaamd dat die overlevingsstrategie de juiste is. Het is ook de strekking van de conclusies die de Europese Commissie in 1997 zelf trok in het 'Actieplan om de concurrentiekracht van Europese textiel en kledingindustrie te verbeteren'. Dat plan is ook volledig geaccepteerd door het Europees Parlement en het Sociaal en Economisch Comité.

Lodiers: “Europese textiel- of kledingproducenten zijn concurrerend of niet, zo simpel zit de wereld in elkaar. Je kunt gewoon stellen dat bedrijven die niet op tijd hebben gezorgd voor die specifieke meerwaarde ook niet langer kunnen concurreren met landen buiten Europa. Voor Europese weverijen met enig perspectief kan in het algemeen worden gesteld dat ze hetzij heel gecompliceerde stoffen kunnen maken, hetzij op heel korte termijn kunnen leveren. Met dat laatste kunnen ze zich namelijk ook onderscheiden van veel ontwikkelingslanden.”

De totale textielindustrie in Europa telt 110.000 bedrijven, die aan 2,3 miljoen mensen werk bieden. De verscheidenheid aan wat zij doen is groot. Er zijn spinners die garens maken. Vervolgens zijn er bedrijven die daar stoffen van weven of breien. Dan zijn er de veredelingsbedrijven die het 'ruwdoek' bleken, verven, bedrukken of bewerken en de stoffen aan de rol afleveren. Zij bedienen de kledingindustrie, producenten van meubels en gordijnen, leveranciers van grand foulards, kortom de hele keten die er achteraan komt.

Eind vorig jaar waren zoals gezegd 10.000 veredelingsbedrijven actief die werk boden aan 150.000 mensen. Tweederde van die bedrijven werkt op basis van commissie, hetgeen wil zeggen dat ze de stoffen niet zelf op de markt brengen. Die ondernemingen zijn dus volledig afhankelijk van wat hun klant gaat doen. Om concurrerend te kunnen blijven is het dus van het grootste belang dat de prijs waarvoor het ongebleekte katoen wordt ingekocht scherp blijft.

“Je moet de markt bekijken met de ogen van de koper”, zegt Lodiers. “Als een product te duur wordt gaat die klant op zoek naar andere, goedkopere bronnen. Het is niet realistisch te denken dat prijsverschillen zullen worden geaccepteerd door een kunstmatige kostprijsverhoging in een bepaald deel van de wereld, zoals in de EU. Als ongebleekte katoen meer gaat kosten, gaat veredeld textiel logischerwijs ook meer kosten. De heffing bedraagt gemiddeld 14 procent. De kosten van het eindproduct van de veredelaars stijgt daardoor met globaal 7 procent. Het bestaat niet dat je dat kunt doorrekenen aan je afnemer.

“Die bedrijven zouden die stijging dus zelf op moeten vangen, maar daarvoor zijn de marges te gering. Je krijgt dus een uitwijken naar landen buiten de EU, die niet tot de genoemde zes behoren.

“Dat zie je nu al. Je krijgt enorme importverschuivingen. Daar kleeft nog het gevaar aan dat importeurs of handelaars gewoon veredeld textiel uit die landen gaan halen. Ze verplaatsen gewoon de technologie. Als dat gebeurt komt de werkgelegenheid van 150.000 mensen dus op de tocht te staan.” De eigenaardige interventie van met name Frankrijk heeft er toe geleid dat de 'finishers' al vanaf april een heffing betalen waarmee Europese katoenspinners en -wevers in het zadel moeten worden gehouden. “Dat steekt des te meer omdat die sector al door een Europese maatregel wordt beschermd. De invoer van ongebleekte katoen is immers al beschermd door een quotering”, zegt Lodiers.

Gisteren praatte in Brussel de 'raadswerkgroep handelsvraagstukken', een college van hoge ambtenaren uit alle lidstaten, over de kwestie. Daarbij bleek dat de zaak zo politiek geladen is dat het dossier wordt doorgeschoven naar het Coreper, dat er volgende week of de week daarna over praat. De noordelijke lidstaten voelen niets voor de maatregel, maar die hebben dan ook geen weverijen of spinnerijen van betekenis meer. De zuidelijke landen - België neemt een neutraal standpunt in - zijn er voor. De Commissie ziet zich echter geconfronteerd met een meerderheid van acht landen die tegen zijn.

Voor een groot deel van de textielindustrie is een spannende maand aangebroken. Op 11 oktober moet de knoop zijn doorgehakt, want een voorlopige maatregel kan niet langer dan zes maanden duren.