Cultuurfilosoof René Boomkens wordt eerste 'popprofessor' van Nederland; 'Onderzoeker moet deel uitmaken van de kudde'

Vanaf 30 oktober zal de filosoof René Boomkens de eerste leerstoel 'popmuziek in Nederland' bekleden. “De popmuziek is volwassen geworden”, zegt hij.

DEN HAAG, 17 SEPT. Op zijn veertiende verjaardag kreeg René Boomkens (1954, Bussum) zijn eerste singletje: 'Hey Jude' van The Beatles. Hij was meteen gefascineerd. “Dat vreemde lalala-refrein en die studio-geluiden op de achtergrond waren zo totaal anders dan wat ik al via de radio had gehoord van The Beatles. Het klonk wel naar The Beatles, maar was nergens te plaatsen. Het was een op zichzelf staand nummer. Op de B-kant stond 'Revolution'. De teksten zijn eigenlijk anti-revolutionair, maar dat hoorde ik toen niet. Het kwam op mij juist over als een oproep tot revolutie.”

Met uitzondering van een korte periode van verslappende interesse aan het eind van de jaren zeventig - “er waren alleen nog maar zichzelf herhalende supergroepen als The Eagles en The Stones beleefden hun slechtste periode” - bleef Boomkens vanaf dat eerste plaatje de popmuziek op de voet volgen. Eerst als concertganger, luisteraar en fan, later als cultuurfilosoof. Hij schreef onder andere Kritische Massa, over massa, moderne cultuur en popcultuur (1994)en De Angstmachine, over geweld in films, literatuur en popmuziek (1996). Vanaf 30 oktober aanstaande bekleedt hij de eerste leerstoel 'popmuziek in Nederland' aan de Universiteit van Amsterdam. Een dag in de week zal de eerste 'popprofessor' college geven, onderzoekers begeleiden en zelf onderzoek doen.

Boomkens is van mening dat het belang van popmuziek voor de hedendaagse samenleving moeilijk overschat kan worden. In Kritische Massa noemt de filosoof het ontstaan van de rock 'n' roll zelfs 'een van de belangrijkste revoluties van deze eeuw'. Boomkens: “Het was de eerste keer in de westerse geschiedenis dat de cultuur van laag naar hoog werd doorgegeven. Voor die tijd was er enkel sprake van een 'culturele kolonisatie' van de lagere sociale klassen door de hogere. De popmuziek die in de jaren vijftig ontstond had dezelfde kracht en eigen dynamiek als de oude volkscultuur, maar wist deze naar boventoe te vertalen. De vanzelfsprekende culturele dominantie van de sociale en economsiche elite was plotseling niet meer zo vanzelfsprekend.”

Dat revolutionaire is er ondertussen wel vanaf, maar de popmuziek is zowel inhoudelijk als stilistisch diverser dan ooit. “Dat Havel The Stones in het presidentieel paleis uitnodigt en Clinton zijn verkiezingscampagne voert op de klanken van Fleetwood Mac, geeft aan dat pop niet meer gevaarlijk is”, aldus Boomkens. “De popmuziek is volwassen geworden. De opwinding en naïviteit van de eerste jaren is verdwenen, maar popmuziek is nu alom tegenwoordig. In 1966 bestond een deel van de top 100 uit popliedjes maar stond Heintje op 1. Nu is iedere zanger beïnvloed door popmuziek. Marco Borsato is niet een volkszanger, maar gebruikt een internationaal popidioom. Hetzelfde geldt voor het publiek; een typisch Jordaan-publiek of Limburgs carnaval-publiek bestaat niet meer.”

“Mijn leerstoel popmuziek is een erkenning van het grote belang van popmuziek voor de hedendaagse samenleving”, vindt de filosoof. Dat vele popmuzikanten zelf niets zien in popmuziek als universitair keuzevak, is volgens Boomkens typerend voor hun houding. “Je moet aan criminelen niet vragen wat zij van het recht vinden en datzelfde geldt voor popmusici. Pop afficheert zich expliciet als 'zo maar wat', een wegwerpartikel, 'trash'. Het zou verkeerd zijn pop fraaier voor te stellen dan het in feite is door het te verheffen tot poëzie of kunst. Ik ben tegen het zwaarder maken van iets dat zijn kracht juist haalt uit het moment en zijn eigen lichtheid. Ik vind dat je pop serieus moet nemen daar waar het zichzelf serieus neemt, namelijk op het gebied van de identiteitsontwikkeling van jongeren.”

Maar wat kunnen academici, die eerst en vooral gericht zijn op het voortbrengen van algemeen en langdurig geldende kennis, toevoegen aan zo iets vluchtigs als popmuziek? “Ik geef toe dat de academische bestudering van popmuziek niet direct iets aan de muziek zal toevoegen”, aldus Boomkens. “De popmuziek heeft zijn eigen dynamiek waardoor zij zichzelf steeds zal vernieuwen en zij zal zich van universitaire bestudering niets aantrekken. Maar door middel van reflectie achteraf kan je het zuiver tijdelijke overstijgen en iets zeggen over ontwikkelingen in leefstijlen, smaakpatronen en de bronnen die jongeren gebruiken bij het vormen van hun identiteit.”

In het onderzoeken van popmuziek moet volgens Boomkens de muziek en haar relatie tot het publiek centraal staan. “Je kunt dat doen via publieksonderzoek zoals jeugdsocioloog Tom ter Bogt dat heeft gedaan onder de fans van Normaal”, zegt hij. “Als onderzoeker van popmuziek kun je niet afstandelijk langs de zijlijn staan. Je moet je in de massa wagen, deel uitmaken van de kudde. Gevaarlijk wordt het als je deel gaat uitmaken van het kamp van de fans en niet meer onafhankelijk bent. Je moet een grensganger blijven, die soms de grens overschrijdt en zich vervolgens weer terugtrekt.”

Niet een nieuwe wetenschappelijke methode, maar een nieuwe compilatievorm van de wetenschap is wat Boomkens nastreeft. “Het tijdsbeeld, de sociale lagen daarin en de geschiedenis van de muziek moeten samen een beeld opleveren van de popmuziek. Die methode is gedeeltelijk technisch en gedeeltelijk impressionistisch. Dat impressionisme gaat overigens niet zover dat ik net als radio-dj Frits Spits op zoek zal gaan naar het 'muzikuul', de kleinste bepalende eenheid van een nummer die het een hit maakt. Dat is alchemie.”

Ook de strikt musicologische analyse zal Boomkens links laten liggen. “Ik zal waarschijnlijk geen blad muziek aanraken”, bekent hij. “Een klassieke musicologische benadering past niet bij de popmuziek. Zo'n reconstructie van het scheppingsproces is te steriel en doet geen recht aan de terloopse wijze waarop veel popmuziek wordt gemaakt. Popmuziek ontstaat intuïtief en pragmatisch, en kent geen expliciete, oorspronkelijke bedoeling. Het liedje moet op een gevoelsmatige, bijna zintuiglijke manier genoten worden. Het is een compacte wereld op zichzelf, een klein theater waarin alledaagse dingen op gedramatiseerde wijze worden neergezet. Popmuziek is het nu. Het staat voor je neus en dat is het.”