CONFERENTIE

In februari volgend jaar wordt in Lausanne op initiatief van het IOC een internationale dopingconferentie gehouden. Aanleiding hiervoor zijn de dopingperikelen die zich afgelopen zomer in de Tour de France voordeden. Sportfederaties, regeringen en intergouvernementele organisaties bespreken dan met elkaar de verdere maatregelen die er tegen doping moeten worden genomen. Vier werkgroepen zijn al met de voorbereidingen begonnen, die moeten leiden tot een uniforme wijze van dopingbestrijding. Een speciale organisatie moet straks wereldwijd voor de coördinatie hiervan zorgen, zo is de bedoeling. Zowel op politiek niveau als binnen de sport zijn al diverse organisaties belast met het dopingbeleid. Een overzicht:

Bron: Doping geregeld? Een doctoraalscriptie van Hélène Bakker ter afsluiting in 1997 van haar studie Nederlands Recht aan de Erasmus Universiteit. De scriptie is uitgegeven door het NeCeDo.

SPORTORGANISATIES

IOC

Het Internationaal Olympisch Comité (IOC) zet in de sportwereld de toon als het gaat om dopingbestrijding. De lijst met verboden stoffen en methoden werd voor het eerst in 1968 opgesteld. Bij de Olympische Spelen, dat jaar in Mexico, werden voor het eerst dopingcontroles gehouden. De Medische Commissie van het IOC heeft de dopinglijst sindsdien herhaalde malen veranderd en aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. De laatste keer is dat in januari van dit jaar gebeurd. Behalve een dopinglijst van verboden middelen en methoden heeft het IOC in 1989 het International Olympic Charter against Doping in Sport vastgesteld. Dit handvest was gebaseerd op de Anti-Doping Conventie van de Raad van Europa en bevat richtlijnen voor sportorganisaties en overheden om een antidopingbeleid te voeren. In 1995 bracht het IOC de Medische Code uit, waarin de dopingregels in één document bijeen werden gebracht. Ook werd daarin vastgesteld dat bij overtreding van deze regels niet alleen sporters strafbaar kunnen zijn, maar ook begeleiders, officials, delegatieleden en zelfs scheidsrechters en juryleden of wie er ook maar bij betrokken was.

Internationale Federaties

De internationale federaties zijn binnen hun sport primair verantwoordelijk voor het dopingbeleid. Voorbeelden van deze federaties zijn de UCI (wielrennen), de IAAF (atletiek) en de FINA (zwemmen). In 1994 besloten het IOC en de federaties hun dopingregels te hamoniseren, met de IOC-bepalingen als uitgangspunt. In de Medische Code van het IOC staat bovendien dat federaties alleen worden erkend als ze deze code in hun statuten opnemen. Overigens hebben veel federaties dit nog niet gedaan. Soms gaan federaties verder met hun regelgeving: in tegenstelling tot het IOC kennen zij ook controles buiten de wedstrijden om (out-of-competion), waarbij controleurs onaangekondigd op bijvoorbeeld trainingen verschijnen.

NOC*NSF

Binnen de Nederlandse sportwereld is de koepelorganisatie NOC*NSF de eerst verantwoordelijke voor het algemene dopingbeleid. In 1993 sprak het bestuur zich officieel uit voor een actieve, doelmatige en consistente bestrijding van doping, voor verdere harmonisatie van de regelgeving, voor het uitvoeren van controles door de nationale sportorganisaties en voor straffen bij dopinggebruik. De nationale sportkoepel is ook gesprekspartner voor de overheid. Het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo) is het instituut dat het dopingbeleid uitvoert. NOC*NSF, artsenorganisaties en de topsporters zijn in het bestuur van het NeCeDo vertegenwoordigd.

Nationale sportorganisaties Omdat nationale sportorganisaties bij een internationale federatie zijn aangesloten, zijn ze aan de dopingregels hiervan gebonden en moeten ze die overnemen. NOC*NSF verplicht de Nederlandse organisaties daarnaast activiteiten tegen dopinggebruik te ontwikkelen. Ook het ministerie van VWS heeft de sportbonden hiertoe aangezet door hen te verplichten een eigen dopingreglement op te stellen. Hebben zij op 1 januari 1999 zo'n reglement nog steeds niet, dan worden ze gekort op hun subsidie. Lang niet alle sportbonden zijn al zo ver. Wel hebben de bonden met een olympische sport alle een dopingreglement.

POLITIEK

VN

De bemoeienissen van de Verenigde Naties met het dopingvraagstuk zijn tot nu toe bescheiden geweest. De VN-organisatie UNESCO (voor opvoeding, wetenschap en cultuur) heeft in 1988 een resolutie over doping uitgevaardigd waarin de landen worden opgeroepen voorlichting te geven en de samenwerking met sportorganisaties te bevorderen. De wereldgezondheidsorganisatie WHO heeft in 1993 na onderzoek een serie aanbevelingen gedaan om acties tegen dopinggebruik te ondernemen. Ook wilde de WHO nog nader onderzoek verrichten. Door geldgebrek is dit project in 1995 gestaakt.

Raad van Europa

De meest actieve overheidsorganisatie op het gebied van dopingbestrijding is de Raad van Europa, bij welk samenwerkingsverband tegenwoordig veertig lidstaten zijn aangesloten. De Raad heeft in 1989 een verdrag opgesteld: de Europese Anti-Doping Conventie. Doordat vijf lidstaten het hadden geratificeerd, trad het per 1 maart 1990 in werking. Ook landen die niet tot de Raad van Europa behoren, kunnen het verdrag ondertekenen. Nederland heeft de Conventie in 1995 geratificeerd. De ondertekenaars verplichten zich stappen te zetten om doping in de sport te verminderen en uiteindelijk uit te bannen. Het verdrag bevat algemene principes; landen behouden de vrijheid naar eigen inzicht hun maatregelen te treffen en zelf te oordelen over de noodzaak ervan. De Raad van Europa is ook actief bij de uitwerking van het beleid betrokken en stelt bijvoorbeeld de standaarden voor dopingcontroles op. Europese Unie

De Europese Commissie heeft in 1992 een antidopingsgedragscode opgesteld. De code verplicht tot bestrijding van doping in de sport, zoals het misbruik van geneesmiddelen. De lidstaten moeten dus maatregelen in die richting nemen. Dopinggebruik lijkt ook in strijd met de harmonisatiever-ordening van de EU over gezondheid en medicijnen. Daarin staat dat het gebruik van medicijnen voor andere doelen dan diagnose en behandeling verboden moet worden.

Nederland

Door de ondertekening van de Europese Anti-Doping Conventie van de Raad van Europa geldt in Nederland sinds 1 juni 1995 deze 'Overeenkomst ter bestrijding van doping'. De Nederlandse overheid heeft zich dus verplicht een antidopingbeleid te voeren. Maar anders dan bijvoorbeeld België en Frankrijk kent Nederland geen specifieke wetgeving om dopinggebruik in de sport te bestrijden. Aan de georganiseerde sport wordt overgelaten de juiste maatregelen te treffen. Bovendien heeft de toenmalige staatssecretaris van Sport, E. Terpstra, op 30 juni van dit jaar het IADA-document ondertekend. Dit International Anti-Doping Arrangement is een afspraak tussen een aantal landen om doping te bestrijden via een adequaat controlesysteem, educatie en bestrijding van de handel. Australië, Canada, Nieuw Zeeland, Noorwegen, Groot-Brittannië en Zweden zijn de andere landen die het IADA hebben ondertekend.