Lessen uit Albanië

HET IS EEN STRIJD tussen Albanezen onderling, maar het is ook een conflict tussen een modern, Westers concept van de staat en een deels tribale samenleving. Er is een na het oproer van vorig jaar onder Westers toezicht democratisch gekozen regering en er is een oppositie die zich niet bij de uitslag wenst neer te leggen. De moordaanslag op een oppositieleider deed de strijd weer ontbranden, het gepeupel veroverde de straat, de oppositie eiste het aftreden van de regering, staatspresident Mejdani sprak van een staatsgreep - en daar had het met de bezetting van het televisiestation en de gewapende aanval op regeringsgebouwen ook even alle schijn van.

De verhoudingen zijn het omgekeerde van een jaar geleden. De Democraten van Berisha waren aan de regering. De leider van de socialisten, Nano, de tegenwoordige premier, zat in de gevangenis. Toen was het schandaal van het instortende piramidespel de aanleiding die de mensen de straat op bracht. De socialisten, voortzetting van de communisten die het land tientallen jaren lang in een ijzeren greep hadden gehouden, maakten van de gelegenheid gebruik. Chaos was het gevolg. Maar met behulp van Italiaanse troepen en politieke interventies van de verschillende organisaties waaraan het Westen zo rijk is, werden verkiezingen georganiseerd die de socialisten terug aan de macht brachten en die door het Westen als betrouwbaar werden onderschreven.

DE RECENTE GEBEURTENISSEN tonen aan dat verkiezingen in een land als Albanië geen panacee zijn. De staat, voorzover daarvan in dit geval kan worden gesproken, heeft lange tijd zijn voortbestaan te danken gehad aan een van de grofste en eenkennigste dictaturen die het internationale communisme de wereld heeft geschonken. Albanië is niet het enige voormalige communistische land dat moeite heeft zijn samenhang te bewaren in een internationale omgeving waarvoor het zich niet meer kan afsluiten. Maar tussen de noodzaak van openheid en aanpassing en het toegeven daaraan ligt een afstand die nauwelijks valt te overbruggen. In samenlevingen die zich in die toestand bevinden is een mengsel ontstaan van hervormingsdrang, mafiose verloedering, pogingen tot terugkeer naar aan het communisme herinnerende controlesystemen en terugval op nog oudere sociale codes. Albanië is slechts een voorbeeld.

Het wekt nauwelijks verbazing dat Westerse regeringen geneigd zijn Berisha te verguizen en Nano moed in te spreken. Dat het wel eens andersom is geweest doet er nu niet toe. Het Westen kan niet anders dan zich vastklampen aan het eigen concept, voortgekomen uit voorstellingen die tijdens de Koude oorlog zijn ontstaan. Conceptueel kon die oorlog namelijk niet uitsluitend worden gevoerd ter verdediging van het vrije Westen. Als die vrijheid iets voorstelde, moest zij ook betekenis hebben voor mensen die ervan uitgesloten waren. Sinds de val van de Muur heeft het Westen dan ook een nieuwe missie gevonden en een nieuwe verantwoordelijkheid op zich genomen.

ALLEEN, IN DE PRAKTIJK valt het dragen van die verantwoordelijkheid niet mee. De samenlevingen die van zichzelf moeten worden gered, wensen wel de financiële ondersteuning, maar weigeren het meegestuurde pakket voorwaarden open te maken en naar die voorwaarden te leven. Anders gezegd, zij gedragen zich niet zoals het Westen dat graag zou zien. Heel geleidelijk begint het te dagen dat de eerste euforie na het einde van de Koude Oorlog de geesten enigszins heeft beneveld, zoals dat ook het geval was na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Er is intussen geen betere leermeester dan de werkelijkheid.