Het elektronische belastinglek

Voor de handel houdt Internet grote beloftes in. Normaal gesproken stijgt de belastingopbrengst bij levendige handel. In dit geval dreigt evenwel een belastinglek. Kort na zijn aantreden kondigde staatssecretaris Vermeend (Financiën) maatregelen aan die dat gat op voorhand moesten dichten. Daar is het nooit van gekomen omdat de bewindsman op enkele onoverkomelijke hindernissen stuitte.

De eerste hindernis voor snel ingrijpen is dat alle landen van de Europese Unie achter de te nemen maatregelen moeten staan. De elektronische handel slaat namelijk de grootste bres in de omzetbelasting (BTW) en de invoerrechten. Dat zijn Europese heffingen waar Nederland op eigen houtje niets aan kan veranderen.

In de tweede plaats omzeilt de elektronische handel de controlepunten die de fiscus normaal hanteert, zoals grensovergangen. Dat geldt vooral voor de handel met producten die men via Internet kan bestellen en die meteen elektronisch kunnen worden geleverd zoals speelfilms, muziek, informatie en software. Maar ook als via Internet fysieke producten zoals boeken worden besteld, dreigt een belastinglek. Om eerlijke concurrentie te waarborgen mag in de platenhandel gekochte muziek niet zwaarder worden belast dan via het Internet gedownloade muziek. Onttrekt die laatste zich aan belastingheffing dan zal ook de platenzaak een belastingvrijdom horen te krijgen. Dat gooit dan wel het hele fiscale systeem overhoop.

Het beleid in de Europese Unie en van staatssecretaris Vermeend is om het huidige systeem zo lang mogelijk te handhaven, zo nodig met enig lapwerk. Op plaatsen waar het op grote schaal misgaat zonder dat er iets tegen te doen valt, zal uiteindelijk een deel van de belastingheffing worden prijsgegeven. Dat geldt dan zowel voor de Internettransacties als voor de reguliere handel. Voorlopig is dat moment nog ver weg, al is het alleen maar omdat de Internethandel nog geen grote schaal heeft bereikt. In 1998 wordt er wereldwijd ongeveer 64 miljard gulden via het Internet omgezet. Meer dan de helft van dat bedrag gaat op aan kosten voor het maken van websites en andere voorzieningen. Daardoor is deze handel voorlopig verliesgevend. Pas in 2002 is er sprake van winstgevendheid bij een wereldwijde omzet van 850 miljard gulden. Tegen die tijd hopen de diverse belastingdiensten de handelsstromen in hun greep te hebben. Zij zijn evenwel afhankelijk van ontwikkelingen waar ze nauwelijks invloed op hebben.

De eerste is dat de Internethandel pas op gang kan komen als er een goed en veilig betalingscircuit is en als de partijen aan weerszijden van de lijn elkaar digitaal kunnen vertrouwen. Daar wordt hard aan gewerkt. De sleutelpositie wordt ingenomen door certificerende instellingen: Trusted Third Parties (TTP). Die bedrijven verstrekken aan partijen in het handelsverkeer elektronische certificaten of smartchips. Vervolgens garanderen ze aan de rest van de wereld dat de degene die ze gebruikt, degene is voor wie hij zich uitgeeft. De organisatie staat er dan zelfs in zekere mate garant voor dat zo'n partij zijn verplichtingen nakomt. De TTP beschikt door zijn sleutelpositie over een schat aan betrouwbare informatie over Internettransacties. De fiscus kijkt daar uiteraard verlekkerd naar. De Internetindustrie heeft een broertje dood aan overheidsbemoeienis. Maar zij beseft tegelijk dat de overheden zich alleen op afstand zullen houden als hun belastinginkomensten gegarandeerd zijn. Dus door dit financiële overheidsprobleem op te lossen voorkomen zij beperkingen en hindernissen op het Internet en blijven ook door Internetters gevreesde nieuwe heffingen als de zogenaamde bit-tax buiten beeld.

Anne-Wil Duthler van het accountantskantoor KPMG promoveert aanstaande dinsdag aan de Leidse universiteit op TTP's; zij concludeert dat voor deze organisaties zelfregulering van de markt verre de voorkeur verdient boven een vergunningenstelsel zoals bijvoorbeeld Duitsland dat hanteert. De overheden gunnen de markt haar zelfregulering als die markt tegelijk een oplossing voor het dreigende belastinggat aandraagt. Mevrouw Duthler werkt daarom onder meer aan een systeem waarbij de fiscus gebruik kan maken van de elektronische gegevens die bij de TTP's aanwezig zijn over de transacties die de aangesloten bedrijven via Internet hebben afgesloten. Met zulke gegevens in de hand, kunnen de overheden op basis van de bestaande fiscale systematiek belasting heffen. De ontwikkelingen zijn nog heel prematuur, zo benadrukt de promovendus om er in één adem aan toe te voegen dat het systeem over een paar jaar wel eens operationeel kan zijn. Zo is het tempo van Internet.

Met eenzelfde dynamiek betreedt het Belgische bedrijf GlobalSign aanstaande vrijdag de Nederlandse markt. Het bedrijf werpt zich op als toonaangevende TTP die voortbouwt op zijn ervaring in België waar het gebruik maakt van brancheorganisaties en Kamers van Koophandel voor betrouwbare gegevens over degenen die zich bij hem aansluiten. Het bedrijf, dat samenwerkt met de accountantscombinatie Price/Coopers, zet zijn kaarten anders dan KPMG niet op gegevensverstrekking aan de fiscus. Directeur Anthony Belpair ziet er meer in om zelf van de aangesloten bedrijven te verlangen dat ze jaar op jaar een accountantsverklaring overleggen waaruit blijkt dat deze ondernemers getrouw alle fiscale verplichtingen ten aanzien van hun Internethandel zijn nagekomen.

Dat de TTP zich zo soms tegenover zijn klant aan de kant van de fiscus moet plaatsen, deert Belpair niet. Het is uiteindelijk de accountant die het oordeel velt en die heeft wel meer publieke taken, zo redeneert hij. De echte oplossing voor het fiscale Internetlek is nog niet gevonden. Maar het is wel duidelijk dat die oplossing net zo oorspronkelijk moet zijn als Internet zelf.