'Europees Parlement moet meer lef tonen'; Vraaggesprek met Nel van Dijk

Ligt het alleen aan de ophef over de onkostenvergoedingen dat het Europees Parlement zo weinig vertrouwen geniet bij de Nederlandse bevolking? Een gesprek met scheidend Europarlementariër Nel van Dijk (GroenLinks).

SITTARD, 16 SEPT. “Het gezicht bij de schandalen”, zo is Europarlementariër Nel van Dijk (GroenLinks) wel genoemd. Zelf zou ze het liefst de annalen ingaan als degene die de vrouwenhandel op de Europese agenda heeft gezet. Maar de gemiddelde Nederlander verbindt de naam van de oud-CPN'ster toch vooral met de strijd tegen de diverse misstanden die de Eurovergadering teisteren. Op 1 september stapt Van Dijk na twaalf jaar uit het Europees Parlement om directeur te worden van het Landelijk Bureau Leeftijdsdiscriminatie in Utrecht.

Legendarisch is haar verhaal hoe een Nederlandse Europarlementariër in het vliegtuig een nieuwe collega uitlegde hoe je in Straatsburg in vijf jaar een riante bungalow kon verdienen. Veel meer nog dan de Liberalen, die ook in de voorhoede staan van de strijd tegen de uitwassen van het parlement, zocht Van Dijk de publiciteit. Reiskosten, pensioenen - Van Dijk stond altijd te trappelen om uit te leggen waarom het zo niet langer kon.

Minder dan een jaar voor de volgende Europese verkiezingen blijkt dat de campagne tegen dergelijke uitwassen Nederland niet onberoerd heeft gelaten. Maar of de Nederlandse bevolking gereageerd heeft op de manier die Van Dijk voor ogen stond, is voor haar nog maar de vraag. Bedoeling van de campagne was immers de Europese burgers ervan te overtuigen dat het Europees Parlement serieus probeert het eigen huis op orde te brengen en dus vertrouwen verdient. Uit opiniepeilingen blijkt echter dat dat vertrouwen in Nederland tot een dieptepunt is gezakt. Niet minder dan 49 procent van de Nederlandse bevolking is van mening dat het Europees Parlement “niet erg belangrijk” of “helemaal niet belangrijk” is, zo blijkt uit een peiling van het statistisch bureau van de Europese Unie. Dat is de hoogste score van de gehele Europese Unie. Zelfs in Denemarken, waarschijnlijk het meest Eurosceptische land van de Unie, ligt dat, met 40 procent, lager.

U wilde de positie van het Europees Parlement verstevigen door misstanden uit te bannen. Maar hebt u in feite de positie van het parlement niet verder verzwakt?

“Dat hebben Nederlandse collega's ook vaak tegen me gezegd. Hun tactiek was om juist te onderstrepen dat we als Europees Parlement in de loop der jaren steeds meer macht hebben gekregen. Zo zou je, zeiden ze, de belangstelling van de mensen voor Europa stimuleren. Ik ben steeds van mening geweest dat de mensen niet gek zijn en heus wel meekrijgen hoe het allemaal in elkaar steekt. En er is nog veel mis in Europa, dat is gewoon zo. En dat los je niet op door het dood te zwijgen of doorzichtige propagandacampagnes te voeren over hoe leuk het is om bakker te worden in Spanje.”

Maar door misstanden te etaleren bereik je dat er volgend jaar bij de Europese verkiezingen nog veel minder mensen gaan stemmen dan ooit tevoren. En dan kan het Europees Parlement zijn deuren wel sluiten.

“Je moet die opkomstcijfers niet zo absoluut zien. In de Verenigde Staten ligt de opkomst bij de verkiezingen ook niet erg hoog, en toch zegt niemand ooit dat de Verenigde Staten geen democratie zijn. Dat neemt niet weg dat een opkomst van veertig procent bij de Europese Verkiezingen voor mij toch wel een minimum is. Als die lager zou liggen, wordt het toch wel erg moeilijk werken.”

Het Europees Parlement heeft nog minder dan een jaar om - in samenwerking met de Europese regeringsleiders die uiteindelijk beslissen - een nieuw statuut op te stellen waarin onkostenvergoedingen en dergelijke worden geregeld. Gaat het lukken om nog voor de verkiezingen het imago van het parlement te verbeteren?

“Nee, ik denk dat het al te laat is. Ik denk dat het parlement veel beter nu al een strategie kan ontwikkelen om de mensen over zes jaar naar de stembus te trekken. Het parlement kan dat niet alleen, want het is niet alleen het imago van het parlement dat bepaalt of de mensen wel of niet gaan stemmen. Nog steeds is de Europese besluitvorming zo ondoorzichtig dat heel veel mensen niet eens het verschil kennen tussen bijvoorbeeld de Europese Commissie en de Raad van Ministers. De opkomst bij de Europese verkiezingen geeft daarom eigenlijk ook aan hoe de mensen denken over het functioneren van die instellingen. Als je bijvoorbeeld in staat zou zijn om als Europa te zeggen dat iedereen, ondanks alle verschillen in economische ontwikkeling, recht heeft op bijstand als je tussen wal en schip valt, dan overtuig je de mensen dat Europa wel degelijk zin heeft. En dat verhoogt onmiddellijk de animo voor het Europees Parlement. Het probleem met Europa is dat het met de economie is begonnen en dat de rest, zoals het sociale, het milieu en het buitenlands beleid, daar achteraan hobbelt. Pas als je daaraan werkt kun je de mensen ervan overtuigen dat Europa zin heeft.”

Van Dijk gelooft desalniettemin dat het Europees Parlement zelf veel kan doen om het eigen huis op orde te brengen. Zo zou het parlement op één plaats moeten vergaderen, en niet zoals nu in Straatsburg en Brussel. En bij alle debatten zou de Europees Commissaris die de kwestie in zijn portefeuille heeft, aanwezig moeten zijn.

Van Dijk: “Pas dan kan er een debat zijn. Nu is dat vaak niet het geval, waardoor we, eerlijk gezegd, alleen maar tegen de muur aanlullen. Je zou als buitenstaander toch wel gek zijn als je dat gaat volgen.”

Daarnaast zou het parlement moeten schiften en hoofdzaken in de plenaire zitting moeten behandelen en bijzaken moeten overlaten aan de commissies, aldus Van Dijk. “Nu worden de meest onbelangrijke zaken zowel in commissies als in de plenaire vergadering behandeld. Europarlementariërs zijn namelijk ijdel en door hen opgestelde rapporten krijgen pas status als het hele parlement zich erover uitspreekt. Om de zaken nog onoverzichtelijker te maken: de stemming in de plenaire kan ook nog eens heel anders kan lopen dan in de commissie. Is het een dan een wonder dat niemand er meer een touw aan kan vastknopen?”

Maar het parlement zou vooral meer gebruik moeten maken van de machten die het daadwerkelijk heeft, aldus Van Dijk. “Op de punten waar het kan, moet het parlement de Raad van Ministers het vuur na de schenen leggen. Pas als je lef toont, bouw je een onderhandelingspositie op. En dat lef toont het parlement veel te weinig.” Het beste voorbeeld van de manier hoe het parlement steeds weer “door de bocht” gaat, vormen volgens Van Dijk de debatten over de douane-unie met Turkije. Eerst was het parlement tegen, omdat Turkije de mensenrechten niet voldoende respecteert. “Maar na een paar telefoontjes uit de hoofdsteden gingen de Europarlementariërs door de knieën. Zo vraag je er om dat anderen over je heen lopen.”

Heeft u wel eens geleden onder het slechte imago van het Europees Parlement. Is dat een reden om het zinkende schip te verlaten?

“Voordat ik voor de CPN de politiek in ging, heb ik twaalf jaar op een buizenfabriek gewerkt. Er is dus niemand die denkt: God, wat heeft die Van Dijk een lullig baantje. Ik vind zelf ook dat ik belangrijke dingen in Europa heb gedaan. Zo heb ik meegeholpen om de definitie van het gezin te veranderen. Dat stond eerst gelijk aan het traditionele gezin, maar nu vallen daar ook andere samenlevingsvormen onder. Als je die definitie niet verandert, wordt het voor mensen die niet getrouwd zijn, erg moeilijk om hun rechten te laten gelden. Daar ben ik trots op. Na twaalf jaar moet iemand anders het maar gaan doen. Maar, inderdaad, het blijft vechten tegen de bierkaai.”