De drift tot besparen is doorgeschoten

De omvang en betekenis van de collectieve uitgaven wordt, ook onder paarse kabinetten, relatief steeds kleiner. Frans Leijnse vreest dat dit beleid op den duur ernstige gevolgen zal hebben voor de voorzieningen die uit de publieke middelen worden betaald, zoals gezondheidszorg en onderwijs.

Nederland wordt met bekwame hand geregeerd. De magere jaren lijken lang voorbij en als crises elders onze groei niet verstoren, liggen nog meer vette jaren in het verschiet. Zo kon het gebeuren dat de Tweede Kamer zich onlangs uitgebreid boog over de vraag wat er moet gebeuren als binnenkort een begrotingsoverschot ontstaat. Voor het eerst sinds tientallen jaren gaat het financieringstekort van de overheid richting nul. Ook de staatsschuld daalt snel in de richting van het afgesproken EMU-niveau. Opmerkelijk daarbij is dat de burgers voor deze financiële sanering nauwelijks zijn aangeslagen. De overheid heeft minder hoeven lenen en meer kunnen aflossen zonder dat de belastingen zijn verhoogd.

Integendeel, begin jaren negentig lag de belasting- en premiedruk in Nederland met ruim 47 procent nog ver boven het gemiddelde van 42 procent bruto binnenlands product (bbp) van de geïndustrialiseerde landen. Aan het eind van deze regeerperiode zullen we daar waarschijnlijk onder komen. Mede daardoor kon de particuliere consumptie fors toenemen. Maar deze succesvolle combinatie van meer private welvaart en minder collectieve schuld heeft vanzelfsprekend wel een prijs. Die prijs is betaald door de collectieve voorzieningen.

Halverwege de jaren tachtig stelde de toenmalige fractievoorzitter van het CDA Bert de Vries voor de collectieve uitgaven in de toekomst te binden aan een plafond. De uitgavenquote zou maximaal 60 procent van het bruto binnenlands product mogen bedragen. De PvdA was tegen deze 'Bert-norm', want er zouden nog vele bezuinigingen nodig zijn om die te realiseren en daar wenste men zich niet aan te binden. In een van die mooieparadoxen waaraan de Nederlandse politiek zo rijk is, heeft in de jaren daarna juist de PvdA getekend voor een reductie van de collectieve uitgaven die de 'Bert-norm' volstrekt heeft doen verbleken.

Al in het begin van de jaren negentig kwamen de bruto uitgaven van de collectieve sector onder de 'Bert-norm', in 1994 na de periode van Wim Kok op Financiën beliepen zij nog 56,5 procent van het bbp. Momenteel, aan het begin van het tweede kabinet-Kok is het beslag teruggelopen tot bijna 50,5 procent. En zelfs bij de zeer gematigde groei van het bbp waarvan het kabinet nu uitgaat, zal het aandeel van de collectieve uitgaven in het jaar 2002 niet meer dan 47,5 procent bedragen. De Nederlandse overheid is dus hard op weg innauwelijks vijftien jaar tijd een reductie van de collectieve uitgavenmet bijna 15 procent bbp te realiseren. Dat is een ombuiging van rond 120 miljard gulden.

Een bezuiniging van die omvang heeft natuurlijk effecten op de voorzieningen die uit collectieve middelen worden gefinancierd.

Allereerst heeft het profijtbeginsel ervoor gezorgd dat de burgers zelf meer bijdragen: collectieve uitgaven werden vervangen door particuliere uitgaven.

Voorts is in vrijwel alle collectieve diensten de productie per gulden overheidsgeld aanzienlijk gestegen. Er wordt in de Rijksdienst, in onderwijs en zorg veel efficiënter en klantgerichter gewerkt dan vijftien jaar geleden. En natuurlijk is hier en daar ook het niveau van de voorzieningen zonder pijn verlaagd. Het kon soms wel wat minder zonder dat nu direct de kwaliteit van het bestaan in gevaar kwam.

Maar het is de vraag of deze combinatie van meer eigen bijdragen, efficiënter werken en 'pijnloos abspecken' goed is voor het gehele ombuigingsbedrag. Dat kan bijna niet. Er is dus ook kwaliteitsverlies opgetreden dat wel pijn doet, zoals in delen van de sociale zekerheid.

De toegenomen armoedeproblematiek is daar een uiting van, evenals de verpaupering in delen van de grote steden. Voor deze tekorten is nu weer meer aandacht en er wordt gewerkt aan een zekere reparatie van dit kwaliteitsverlies.

Minder oog bestaat tot heden voor het feit dat soms ook pijnlijkgesneden is in kwaliteiten die nodig zijn om in de toekomst een aanvaardbare economische en sociale prestatie te blijven leveren. In diegevallen hebben desinvesteringen plaatsgevonden die de welvaartskansen in het komende decennium zullen aantasten. De besparingsdrift op korte termijn heeft het hierbij gewonnen van de vooruitziende blik. 'Goedkoopnu is hier met zekerheid duurkoop in de toekomst', om de huidige fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer te citeren (die voor zijn inzet overigens verbazend weinig steun in de coalitie kreeg).

Op drie terreinen zullen de komende jaren de gevolgen van desinvesteringen worden gevoeld.

Allereerst zal de arbeidsmarkt steeds grotere tekorten gaan vertonen, zodanig zelfs dat de economische groei erdoor geremd wordt. Ons land beschikt weliswaar nog altijd over een grote groep inactieven die de plaatsen kunnen vullen, maar de kwalificaties van deze mensen zijn niet toereikend. Er had al, en er zal dus, flink moeten worden geïnvesteerd in scholing en toeleiding. Het tegendeel gebeurt nu.

In de tweede plaats is er de uitdaging van de vergrijzing, die na het jaar 2010 versneld zal optreden. Wat betreft de AOW en pensioenen lijken wij ons voldoende te hebben ingedekt. Maar wat betreft de sterk stijgende behoefte aan zorg is dat nog verre van het geval. Steeds grotere tekorten aan verplegenden en verzorgenden, die worden versterkt door bezuinigingen op de opleidingen, doen het ergste vrezen.

Nog fnuikender is de desinvestering in de kennisinfrastructuur. Hoger onderwijs en onderzoek dragen direct bij aan verwerving en verbreiding van de kennis waarop onze economie steeds zwaarder leunt. Daarnaast zorgen zij ook voor de opleiding van de leraren, docenten, begeleiders en onderwijsmanagers. In het bijzonder het hoger beroepsonderwijs vervult hier een taak die als basisvoorziening van de kenniseconomie moet worden beschouwd.

Gaat het regeren Paars tamelijk goed af, van vooruitzien is nog weinig te bespeuren. De uitgaven voor onderwijs zijn in de afgelopen vijftienjaar sneller gedaald dan de collectieve uitgaven als geheel. In 2002 zal ons land ongeveer 4,5 procent van het bbp besteden aan onderwijs. Dat is ruim 12 miljard onder de gemiddelde zes procentsnorm van de OESO-landen. Met name de sector hoger onderwijs heeft een forse reductie te verwerken gekregen.

Het hoger beroepsonderwijs moet bovendien een aanzienlijk groter aantal studenten opleiden, bij op zijn best gelijkblijvende budgetten. Op grond van het Regeerakkoord mag verwacht worden dat het HBO in het jaar 2002 voor hetzelfde geld anderhalf keer zoveel gediplomeerden zal afleveren als in 1991. Dat betekent een reductie van de overheidsbijdrage per diploma met meer dan een derde.

De belastingbetaler zal blij zijn met dit nieuws. Onze zuurverdiende belastingcenten worden steeds beter benut. De burger moet zich echter zorgen maken. De capaciteit van vitale opleidingen begint tekort te schieten. De kwaliteit staat onder sterke druk door de toestroom van steeds meer studenten. Mooie plannen zoals de klassenverkleining in het basisonderwijs, of meer handen aan het bed in zieken- en verpleeghuizen, zullen stuklopen op een gebrek aan adequaat opgeleide mensen. Bedrijven zullen mogelijke innovaties en productiegroei laten passeren omdat zij het nodige kader niet kunnen krijgen.

Het vorige kabinet heeft de Kamer in april laten weten dat het over vier jaar een tekort van 250.000HBO'ers op de arbeidsmarkt verwacht (dat zijn dus onderwijzers, leraren, verplegenden, technici, informatici en economen). Bij die mededeling is het vervolgens gebleven. Zelfs de gedachte dat terzake beleid zou moeten worden gevoerd, is kennelijk nog niet opgekomen.