Volkenkundig museum breidt uit en vernieuwt

Het Rotterdamse Museum van Volkenkunde bereidt zich voor op de volgende eeuw. Het gebouw wordt verbouwd en uitgebreid en er komt een nieuwe opstelling. “We zijn bezig met een inhaalrace”.

Tussen januari 1999 en september 2000 is de voortgang van de verbouwing te volgen op de museumsite onder adres www.wereldmuseum.rotterdam.nl.

ROTTERDAM, 15 SEPT. Het imago dat volkenkundige musea bij het grote publiek genieten is er één van stoffige potten, statistische gegevens van schedelmetingen uitgevoerd door blanke mannen met tropenhelmen en vitrines met peniskokers en grasrokjes. Het Rotterdamse Museum van Volkenkunde weet dit en bestrijdt het gedateerde imago al jaren door zijn collectie tegen een actuele achtergrond tentoon te stellen. “Het soort stoffige, negentiende-eeuwse exposities waarin 'wij' vanuit een soort superioriteitsgedachte vertellen hoe 'zij' leven, is niet meer van deze tijd”, vindt directeur Hein Reedijk.

Reedijk is van mening dat een museum van volkenkunde zich anders moet presenteren wil het de volgende eeuw halen. “We gaan er niet meer zoals vroeger van uit dat iedereen alles leuk en interessant moet vinden. Het ervaren museumpubliek kun je zonder al teveel tekst en uitleg de collecties tonen, bij het minder geoefende publiek moet je het verhaal achter de voorwerpen centraal stellen. Voor beide groepen bezoekers moet je een ingang hebben.”

Om een breed spectrum aan bezoekers te kunnen interesseren is meer ruimte nodig dan het museum op het moment beschikbaar heeft. Verleden jaar kende de gemeente Rotterdam het museum 8,6 miljoen gulden toe om zijn uitbreidingsplannen te realiseren. De resterende 4 miljoen gulden die nodig is, moet worden opgebracht door bedrijfsleven, fondsen en het ministerie van OC&W. Tussen januari 1999 en september 2000 wordt het museum verbouwd en de expositieruimte verdubbeld. Het vernieuwde museum moet uiteindelijk jaarlijks 125.000 bezoekers gaan trekken, ruim 40.000 meer dan nu het geval is.

“We zijn eigenlijk bezig met een inhaalrace”, zegt Reedijk. “Tot nu toe waren we eigenlijk maar een half museum. Vanwege ruimtegebrek en de klimatologisch rampzalige omstandigheden in dit gebouw hebben we ons sinds 1986 geconcentreerd op tijdelijke tentoonstellingen met een hoge actualiteitswaarde. De voorwerpen, die een eigen kwaliteit hebben maar niet in die tentoonstellingen pasten, waren het grootste deel van de tijd opgeslagen in het depot. Daardoor leek het alsof de rol van onze verzamelingen beperkt of zelfs uitgespeeld was.”

Het kantoorpand naast de huidige museumlocatie, dat de gemeente Rotterdam al enige jaren geleden aankocht voor het museum, zal de volgende eeuw ingaan als 'het Schathuis' en is vooral bedoeld voor de ervaren museumbezoeker, die geïnteresseerd is in de collecties maar nu niet aan zijn trekken komt. Reedijk: “Onze conservatoren kiezen ieder vijf sleutelstukken uit hun collectie. Rondom die stukken zullen dan 150 tot 200 andere voorwerpen geplaatst worden. Het resultaat is een top-1000 van pronkstukken van het museum, die permanent te bezichtigen zal zijn.”

Een team bestaande uit de architect Menno Homan, een lichtspecialist en een tentoonstellingontwerper zal samen met de conservators een ruimte ontwerpen die zo tijdloos en verstild mogelijk is. De inrichting wordt opzettelijk sober gehouden om de aandacht niet af te leiden van de uitgestalde bezienswaardigheden. Op computerterminals kunnen bezoekers informatie over de makers, gebruikers en herkomst van de voorwerpen verkrijgen. Reedijk: “De software geeft ons de mogelijkheid om met een minimum aan aanpassingen in de uitstalling in te spelen op de actualiteiten door bijvoorbeeld mensen of landen in het nieuws aan te halen. We willen voorkomen dat men in 2005 zegt 'kijk, dat is nou typisch een tentoonstelling uit 2000'.”

De tweede verdieping van het huidige gebouw is gereserveerd voor een textielkabinet en wisselende exposities rond de Afrikaanse en islamitische collecties. De keuze voor deze twee cultuurgebieden is gebaseerd op de culturele samenstelling van Rotterdam, waar veel Kaap-Verdianen, Surinamers, Noord-Afrikanen, Irakezen en Turken wonen. Ook de geplande tentoonstellingsruimte voor hedendaagse niet-westerse kunst in het recent verworven pand is erop gericht allochtone stadsbewoners te verleiden tot een museumbezoek.

Het succes van het Reispaleis, een kijk-en-doe-tentoonstelling voor kinderen die in de afgelopen vier jaar meer dan 100.000 bezoekers trok en na de verbouwing in uitgebreide, permanente vorm terugkeert, heeft het museum gestimuleerd zich ook te gaan richten op leerlingen van het voortgezet onderwijs. “'Knooppunt Rotterdam' wordt een audio-visueel spektakel over de multi-culturele metropool Rotterdam voor een groep die normaliter slechts sporadisch in musea te vinden is”, aldus Reedijk. “Het gaat hier om de verhalen van mensen die in deze stad zijn gekomen en gebleven.” Voorwerpen uit historische of exotische culturen zullen er weinig te zien zijn, het gaat om voorbeelden van culturen die in hedendaags Rotterdam aanwezig zijn. De bezoekers zullen in Knooppunt Rotterdam aan de hand van vragenlijsten hun oordelen en vooroordelen over andere culturen kunnen toetsen en hun positie op een 'tolerantieschaal' kunnen bepalen.

Reedijk ontkent dat deze drempelverlaging van het museum zal leiden tot vervlakking. “De Nederlandse musea hebben zich tot nu toe weinig aan de bezoekers gelegen gelaten. Dat moet veranderen. Zonder de 'Veronica onder de musea' te worden moeten we proberen die markt van potentiële bezoekers aan te boren. De hele discussie over het wel of niet kunnen bereiken van allochtonen draait eigenlijk om de vraag of musea in staat zijn een ander dan het gebruikelijke publiek te bereiken. Wil een museum voor volkenkunde een zinvolle functie blijven vervullen in de éénentwintigste eeuw dan moeten we ons ervan bewust zijn dat het potentiële museumpubliek niet alleen bestaat uit hoger opgeleide vijftigers met een goed inkomen.”