Vestigingsvergunning voor Antillianen niet uitsluiten

Registratie van Antillianen stuit op bezwaren.

F. Kuitenbrouwer acht de invoering van een vestigingsvergunning om de toestroom onder controle te brengen geen verwerpelijk alternatief.

Ietwat verongelijkt reageerde de Amsterdamse wethouder Van der Aa voor de lokale tv-zender AT5 op de commotie over zijn voorstel om Antillianen bij aankomst in ons land te registreren. “Ik wil niet praten over registratie maar over die jongeren”. Dat had deze bestuurder eerder moeten bedenken. Want hij is per slot van rekening begonnen over het invullen van een landingsformuliertje in het vliegtuig.

Dergelijke formaliteiten komen elders in de wereld ook voor. Maar er is hier een speciale complicatie. Het gaat om mensen met Nederlands paspoort. Moet de terugkerende toerist uit Appelscha op Schiphol ook zo'n papiertje inleveren? Zo niet, hoe wil de wethouder dat onderscheid dan formuleren? De nieuwe staatssecretaris voor Koninkrijkszaken De Vries waarschuwt met reden dat zoiets eigenlijk alleen kan op basis van huidskleur.

Discriminatie dus. Toch verdient dit bezwaar niet op face value te worden aanvaard. Een registratieverplichting voor Antilliaanse migranten werpt een serieuze vraag op. Maar voor discriminatie is méér vereist, namelijk dat het gemaakte onderscheid zonder rechtvaardiging is. Het recht staat bol van het onderscheid; het leeft daar zelfs van. De werkelijke vraag is of het onderscheid een behoorlijke en menswaardige grondslag heeft. Wat dit betreft heeft Van der Aa ontegenzeggelijk een punt. De Antilliaanse exodus, met name van kansarme jongeren, naar Nederland is al geruime tijd een zorg. Midden jaren negentig zat er een dip in (ook van jongeren), maar nu trekt het volgens het CBS weer aan.

Het is duidelijk waar dat aan ligt: de sociaal-economische omstandigheden in de West. Daar ligt dan ook de eerste opdracht iets te doen. In 1992 is er juist voor de jongeren een speciale task force opgericht. Maar dat is niet voldoende gebleken, om het zacht uit te drukken. De vroegere Amsterdamse hoofdcommissaris Nordholt heeft geopperd dat de Antillen het mischien ook wel makkelijk vinden als de probleemjeugd de oversteek naar Nederland maakt. Een bewust beleid van 'lozen' is echter nooit hard gemaakt. Hoe dan ook blijft migratie, in de typering van het rapport Brood en respect van een aantal jaren geleden, fungeren als “sociaal ventiel”.

Dit doet niets af aan de noodzaak iets te ondernemen tegen het reële risico dat een deel van de jongeren die de oversteek maken hier rechtstreeks aankoerst op de zelfkant. Dit gevaar dateert niet van vandaag of gisteren of uit Amsterdam. Vorig jaar nog signaleerde een onderzoeksteam van de Erasmusuniversiteit een verharding van criminaliteit en overlast door Antilliaanse jongeren in de Rijnmond, opmerkelijk genoeg ook de meisjes. En vijf jaar geleden waarschuwde de voorzitter van het landelijk inspraakorgaan LIA al tegen wat zij noemde het “aansluitingsprobleem: mensen komen in een vacuüm”.

De opvang van nieuwkomers is de sleutel voor de aanpak van dit probleem. Van der Aa heeft gelijk als hij zegt dat een eerste voorwaarde daarvoor is te weten waar men deze mensen kan bereiken. Hoe moet dat als registratie bij aankomst problemen oproept? De nieuwe wet op inburgeringscursussen voor nieuwkomers van buiten de Europese Unie (maar inclusief de Antillen) biedt voor een deel een handreiking. Tot dusver was inburgering gekoppeld aan een uitkering, maar nu wordt hij algemeen.

Ook dan zullen er altijd Antilliaanse jongeren zijn die proberen er onderuit te komen. Daar doet een landingsformuliertje weinig aan af (een adres kun je kopen). Het aanspreekpunt moet dan ook niet liggen bij de toegang tot Nederland maar bij de uitgang op de Antillen. Ook binnen Nederland wordt de burger bij verhuizing van de ene naar de andere gemeente geacht zich over te schrijven. Zonder aanziens des persoons. Deze plicht wordt niet algemeen beleefd, getuige de spreekwoordelijke vervuiling van de bevolkingsregisters. De Antillen zullen wellicht ook aanhikken tegen strikte handhaving van de formaliteiten.

Er is echter een stok achter de deur: invoering van een vestigingsvergunning bij migratie tussen de koninkrijksdelen. Deze geldt al bij verhuizing van Nederlanders naar de West. Een interdepartementale commissie adviseerde vijf jaar geleden om het stelsel van vestigingsvoorwaarden wederkerig te maken. Daar heeft de regering in Willemstad echter steeds fel tegen geopponeerd. Ook de twee laatste Nederlandse bewindslieden voor koninkrijkszaken, Hirsch Ballin (CDA) en Voorhoeve (VVD), hebben invoering van een visumplicht voor de Antillen trouwens afgewezen.

Voorhoeve gooide eind 1996 in een kranteninterview toch weer een balletje op over een visumplicht, zij het alleen voor minderjarigen. Er is ook wel gespeeld met de gedachte van een speciale voogdijregeling voor minderjarige Antillianen die naar Nederland komen. In mei kwamen er geluiden uit politieke hoek om de groeiende stroom Antilliaanse jongeren aan de orde te stellen in de kabinetsformatie. De koninkrijksparagraaf in het regeerakkoord rept er echter niet over.

In elk geval is het bezwaar van ongelijke behandeling dat het voorstel van Van der Aa oproept, bij de verdergaande variant van de vestigingsvergunningen niet aan de orde. Als de Antillen hun vestigingseis niet afschaffen, kan invoering van een omgekeerde voorwaarde moeilijk op constitutionele problemen stuiten.