Sociale lasten, belastingen en koopkracht

Het belastingsysteem wordt uitgebreid met een extra schijf. Over de eerste 15.000 gulden moet 35,75 procent belastingen en premies worden betaald. Met zo'n relatief kleine schijf is het gemakkelijker om een inkomenspolitiek te voeren waarbij de mensen met de laagste inkomens het grootste voordeel hebben. Voor de volgende 33.000 gulden geldt een tarief van 37,5 procent; de volgende 57.500 wordt belast met 50 procent. Het tarief van 60 procent geldt voor inkomens boven de 105,500 gulden.

De alleenstaande AOW'er boekt volgend jaar de grootste stijging van de koopkracht. Steeg de koopkracht van deze mensen in 1998 nog met 5 procent, voor volgend jaar moeten ze genoegen nemen met een stijging van 1,5 procent. Sociale minima zonder kinderen hebben 1,25 procent meer te besteden, met kinderen één procent.

Ook de koopkracht van mensen met het minimumloon stijgt met één procent. Mensen die 50.000 gulden (modaal) verdienen) hebben volgend jaar 0,75 procent meer te besteden. Ook de koopkracht van tweemaal modaal stijgt met dit percentage.

Het kabinet gaat de komende vier jaar uit van een bescheiden jaarlijkse groei van 2,25 procent. Daarmee is volgens het CPB geen man overboord, want de koopkrachtverbetering die bij dat behoedzame scenario hoort, is nog altijd hoger dan de stijging van de koopkracht van de afgelopen vier jaar. En toen groeide de economie jaarlijks gemiddeld met een vol procentpunt meer.