Rellen Tirana meer dan simpele machtsstrijd

De onrust in Tirana illustreert de diepe polarisatie waaraan het land ten prooi is. Het gaat echter om meer dan een simpele machtsstrijd en de consequenties van een nieuwe golf van anarchie blijven ook niet beperkt tot Albanië alleen.

ROTTERDAM, 15 SEPT. En weer was Tirana het toneel van anarchie, van opgewonden Albanezen met kalasjnikovs en pantservuisten die stukslaan wat stuk te slaan is, in de winkels, in regeringsgebouwen: even leek de Albanese hoofdstad gisteren teruggekeerd naar begin vorig jaar, toen heel het land voor maanden wegzonk in een spiraal van geweld.

De aanloop tot de gebeurtenissen van gisteren is, in zijn chronologie, simpel. Na de anarchie van vorig jaar kwamen bij verkiezingen de oppositionele socialisten van Fatos Nano aan de macht en moest de Democratische Partij (PD) van president Sali Berisha het veld ruimen. Berisha heeft die nederlaag in de strijd tegen zijn aartsrivaal Nano - die hij in 1994 in een uiterst dubieus proces tot twaalf jaar gevangenisstraf liet veroordelen - nooit kunnen verkroppen en nooit erkend: voor hem zijn Nano en zijn socialisten 'communisten', 'terroristen', 'vijanden van de natie' en 'criminelen' die in de gevangenis, en niet in het pluche thuishoren. Toen in september vorig jaar op de eerste zitting van het nieuwe parlement de DP-parlementariër Azem Hajdari - held van de studentenrevolte van 1990 en mede-oprichter van de DP - in het parlement door een socialistische collega werd neergeschoten, stapte de DP uit het parlement, in een boycot die tot maart zou duren.

Maandenlang hebben alle internationale organisaties die zich, ijverig maar zonder veel succes, bezighouden met de wederopbouw van Albanië de twee kampen in de Albanese politiek onder druk gezet: ze moesten de kloof van wantrouwen en vijandschap overbruggen, hun polarisatie beëindigen, hun taal matigen. In maart leek dat even te lukken: de DP gaf wegens de crisis in Kosovo haar boycot van het parlement op. Maar het bleek maar een tijdelijk succes. Begin juli hervatte Berisha de boycot, toen het door de socialisten gedomineerde parlement tot de conclusie was gekomen dat Berisha en de zijnen verantwoordelijk waren geweest voor de golf van geweld en anarchie van begin vorig jaar.

Sindsdien is het met die polarisatie van kwaad tot erger gegaan, vooral als gevolg van het gebrek aan terughoudendheid van Berisha. Geen gelegenheid liet de ex-president voorbijgaan om Nano en de zijnen de huid vol te schelden en zijn aanhang op te roepen de regering over te werpen. Die oproepen werden nog verhevigd na de arrestatie, op 23 augustus, van zes DP-kopstukken, onder wie drie oud-ministers en een oud-leider van de geheime politie, de ShIK, op beschuldiging van “misdaden tegen de menselijkheid” tijdens de rebellie van begin vorig jaar. De arrestaties - onhandig in hun timing - brachten Berisha tot razernij. Hij liep weg van de ronde tafel waaraan over een grondwet werd gepraat. De oppositieleider kon gisteren, toen heel Tirana weer het beeld van anarchie bood, zijn aanhang oproepen rustig te blijven - zelf heeft hij sinds 23 augustus weinig anders gedaan dan die aanhang opzwepen, dag in, dag uit. Nog vorige week donderdag zei hij op zo'n bijeenkomst: “We zullen Nano tot stof vermalen. Het geweld zal geen grenzen kennen. Als Nano niet aftreedt, ondergaat hij hetzelfde lot als Nicolae Ceausescu.”

Twee dagen later viel het weinige dat nog overeind stond in duigen: zaterdagavond schoten onbekenden met kalasjnikovs Azem Hajdari dood, dezelfde DP-held die een jaar eerder in het parlement was neergeschoten. Zondag wist Berisha zeker dat “de crimineel Nano” achter de moord zat. Hij gaf hem 24 ur om af te treden, anders zouden “alle middelen” worden gebruikt om hem omver te werpen. En gisteren wèrden al die middelen ingezet, en werd Tirana urenlang in bezit genomen door schietende en plunderende opposanten van Nano.

Het is een strijd om de macht, die zeker van de kant van Berisha met weinig scrupules wordt gevoerd. Maar het is veel meer dan een strijd om de macht. Op het spel staan niet alleen politieke belangen, maar ook economische, financiële, criminele en clan-belangen. De tegenstellingen op politiek niveau zijn óók tegenstellingen tussen noord en zuid, waarbij Nano en zijn socialisten het zuiden vertegenwoordigen en Berisha en zijn democraten het noorden. En ze zijn ook nog tegenstellingen tussen stad (Nano) en platteland (Berisha). En door dit alles heen lopen tradities en gebruiken die met politiek en zelfs Albanië als natie niets van doen hebben, de gebruiken van de bergstammen, die altijd bewapende, altijd wantrouwende en voor buitenstaanders volstrekt onberekenbare clans die zo hun eigen opvattingen hebben over zaken als trouw en loyaliteit, eer, bloedwraak en lokale autonomie. Burgerlijke samenleving? In Albanië kan het gebeuren dat een parlementslid - Azem Hajdari, de man die zaterdag werd vermoord - in het gezelschap van een oud-minister en een handvol criminelen na een bankroof een vuurgevecht met de politie uitvecht. Tegen deze kluwen van ondoorzichtige belangen en tegenstellingen is de internationale gemeenschap - de OVSE, de EU en sympathiserende landen als Italië en Duitsland - niet opgewassen: een greep op de gebeurtenissen is er niet, en een duidelijk beleid is er evenmin, afgezien van het verlenen van financiële hulp.

Het gebrek aan stabiliteit wordt nog vergroot door de honderdduizenden wapens die sinds begin vorig jaar nog altijd zoek zijn en die te voorschijn komen bij gebeurtenissen als gisteren, toen op straat niet alleen kalasjnikovs en handgranaten te zien waren, maar zelfs anti-tankgeschut. Vorig jaar werden volgens officiële gegevens 650.000 wapens en 20.000 ton munitie gestolen. Tot op heden is slechts tien procent van de wapens en drie procent van de munitie ingeleverd. Een kwart tot eenderde is naar het buitenland gesmokkeld - in Kosovo vecht het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK ermee. De rest bevindt zich nog in handen van burgers - inclusief straatrovers, gijzelnemers, bankrovers en knokploegen.

Bij dit alles speelt ook de kwestie-Kosovo een destabiliserende rol. Het in Kosovo voor een Groot-Albanië vechtende UÇK, dat zijn wapens betrekt uit Noord-Albanië, en Berisha, traditioneel sterk in het ruige, onontwikkelde, onderbevolkte, ontoegankelijke, xenofobe en onveilige noorden, hebben zich met elkaar verbonden. Het UÇK wil liever vandaag dan morgen van Fatos Nano af. Nano ondernam eind vorig jaar een onhandige poging de relaties met Joegoslavië op orde te brengen. Dat mislukte, omdat de Joegoslavische leider Miloševic daar niets voor voelde. Hij interpreteerde Nano's poging als een teken van zwakte, die hem de ruimte gaf (in februari) in Kosovo zijn grote offensief tegen het UÇK te ontketenen. Het UÇK ziet sindsdien Nano als de man die de belangen van de Kosovo-Albanezen in de uitverkoop heeft gedaan. Berisha's DP van haar kant profiteert van de Kosovo-crisis: de wapensmokkel spekt de partijkas en versterkt haar positie in het noorden, waar de regering in Tirana niets te vertellen heeft. Als Albanië opnieuw wegzinkt in anarchie zal alleen het UÇK daar duidelijk van profiteren - en dat kon wel eens een zware tegenslag betekenen voor de toch al weinig succesvolle pogingen, het conflict in Kosovo te bezweren.