Noodhulp naar strijdkrachten Rwanda

Wordt Nederlands hulpgeld voor Rwanda aangewend in de Midden-Afrikaanse oorlog in Congo? Deskundigen en betrokkenen zeggen van wel.

ROTTERDAM, 15 SEPT.De Midden-Afrika deskundige professor Filip Reyntjens uit Antwerpen kent de situatie al jaren. “Ik ben er zeker van dat internationale ontwikkelingsgelden voor Rwanda terecht komen bij het leger”, zegt Reyntjens. “Het landje heeft een leger van 60.000 man. Vorig jaar schafte het nog een aantal kostbare tanks en helikopters aan. Die kon de regering niet betalen van de eigen belastingopbrengsten, maar alleen dankzij buitenlandse ontwikkelingshulp.”

Na de genocide in 1994, waarbij een miljoen Tutsi's en gematigde Hutu's door fanate Hutu's werden afgeslacht, verdubbelde de internationale gemeenschap de hulp aan Rwanda naar ruim 700 miljoen dollar in 1995. Minister Pronk (toen nog Ontwikkelingssamenwerking) ging voorop. Nederland werd in enkele jaren de op vier na grootste donor van het land. Uit schuldbesef omdat de wereld bij de genocide lijdzaam had toegezien. En met het idee: 'dit nooit weer'. Pronk verhoogde de bilaterale hulp naar 47 miljoen dollar in 1995, aldus de Oeso - een verzesvoudiging in twee jaar.

De ontwikkelingshulp is voor Rwanda groot geld. “De internationale gemeenschap financiert tweederde van de overheidsuitgaven van Rwanda”, constateert de Antwerpse econoom Catherine André, die de economie van het land nauwgezet volgt. Dank zij de buitenlands hulp heeft Rwanda eigen middelen vrij voor een zwaar leger. “De laatste jaren ging, alleen al volgens de officiële cijfers, tweederde van de binnenlandse inkomsten van de overheid op aan defensie. In werkelijkheid zou dat veel hoger kunnen liggen”, aldus André.

Het regime waarop Nederland al zijn kaarten zette is in handen van Rwanda's sterke man Paul Kagame, die in de zomer van 1994 de aanstichters van de volkerenmoord verdreef. Kagame is commandant van het door Tutsi's gedomineerde Rwandese Patriottische Leger (RPA), minister van Defensie en vice-president.

De eerste paar jaar na de genocide leefde het nieuwe bewind op het krediet van medelijden met de slachtoffers van de volkerenmoord - en op het streven van de internationale gemeenschap een herhaling van 1994 te voorkomen. Maar vier jaar na dato krijgen critici van het eerste uur, zoals hoogleraar Reyntjens, ook in Nederland steeds meer bijval. De betrokkenheid van het Rwandese leger bij een aantal gewapende conflicten in buurland Congo (om Kabila aan de macht te krijgen in Kinshasa, en om hem er vervolgens weer af te halen), schendingen van mensenrechten door het leger, discriminatie van de Hutu-meerderheid en het uitblijven van enig zicht op nationale verzoening, doen de vraag rijzen of Nederland Kagame moet blijven steunen. “De tijd van schuld en boete is voorbij”, zegt CDA Tweede-Kamerlid Jaques de Milliano. “De tijd dat Nederland en andere donoren uit schuldbesef hulp geven zonder voorwaarden vooraf is over. Want het leidt tot de facto apartheid in Rwanda.”

De Milliano reisde als directeur van Artsen zonder Grenzen veel in Midden-Afrika. Hij vindt het terecht dat in de eerste jaren na de genocide veel aan defensie is uitgegeven, aangezien het veiligheidsdenken overheerste. “Maar nu, vijf jaar na dato, zie je dat het legitieme veiligheidsstreven is vertaald in een praktijk van ernstige en massale mensenrechtenschendingen. Er is geen teken van nationale verzoening.” Volgens hem zijn “de slachtoffers van de genocide op een bepaald moment beulen worden”. Het omslagpunt ligt volgens hem aan het einde van 1996. “Rwanda viel Congo binnen en maakte jacht op Hutu-extremisten. Er zijn toen duizenden onschuldige slachtoffers gemaakt. De VN kregen geen toegang tot de massagraven.”

Omdat grote donoren als Nederland “niet of nauwelijks” voorwaarden stellen aan de hulp, kan het Rwandese leger zich “misdragen”, stelt De Milliano. Al voegt hij daar aan toe dat de Hutu-extremisten “ook in belangrijke mate schuld zijn aan de instabiliteit en schending van mensenrechten”. Voor hem is het punt bereikt dat Nederland harde criteria moet stellen aan de hulp. Hij heeft een Kamerdebat aangevraagd met de nieuwe minister voor Ontwikkelingssamenwerking Herfkens.

Ook in de particuliere hulporganisaties groeit de twijfel. Piet Spaarman, coördinator van Mensen in Nood, zegt dat Nederland hulp geeft aan een regime dat “een fantastisch hoge” uitgavenpost heeft voor het leger. “Rwanda heeft Nederland toezeggingen gedaan dat het de hulp niet aan het leger zal besteden, maar weet Nederland dat zeker? Heeft het daar garanties voor?”

Bonnie Noorman, noodhulp-coördinator van de hulporganisatie Memisa, wijst erop dat de Nederlandse hulp aan Rwanda een aantal riskante terreinen bestrijkt. Zo financiert Nederland een deel van het demobilisatieprogramma voor het te groot geachte leger. “Dat is een gevoelige materie, want tegelijkertijd is Rwanda bezig met nieuwe rondes van mobilisatie voor datzelfde leger (...) Je zou je kunnen afvragen waarom Nederland nu dan nog demobilisatie financiert.”

Noorman herinnert er aan dat Den Haag de hulp aan Zimbabwe een aantal keren heeft opgeschort omdat het land te veel aan defensie zou uitgeven - terwijl Zimbabwe destijds relatief veel minder aan het leger spendeerde dan Rwanda nu. “Maar voor Rwanda ligt dat anders, omdat het land van veel kanten bedreigd wordt.”

Mede dank zij de buitenlandse hulp is Rwanda in staat een proportioneel groot defensie-apparaat in stand te houden. Nederlandse hulp gaat echter nooit direct naar het ministerie van Defensie in Kigali. Op ten minste één uitzondering na. Een speurtocht door het woud van met Nederlands geld gefinancierde projecten leert dat een klein deel van de hulp direct bij Defensie terecht is gekomen. Het gaat om ruim 1,5 miljoen gulden, bedoeld voor opleidingen van de paramilitaire gendarmerie en voor de renovatie van de school van de nationale gendarmerie in Ruhengeri.

De Nederlandse bijdrage voor het project ('Versterking van de nationale gendarmerie van Rwanda'), verliep via het het Rwanda-Trustfund van de UNDP (de hulporganisatie van de VN). De Hollanders zijn een graag geziene gast op het kantoor van de VN-organisatie in Kigali. “Nederland is verreweg de belangrijkste donor voor het UNDP-trustfund”, meldt een vertegenwoordiger van de UNDP in Kigali, Mobido Touré. “Het heeft 41 miljoen dollar uitgekeerd, 48 procent van alle tot nog toe binnengekomen bijdragen aan het trustfund.” Het trustfund financiert onder meer demobilisatie van militairen en versterking van het justitiële apparaat.

De Nederlandse bijdrage aan het UNDP-fonds is niet onomstreden. Spaarman van Mensen in Nood vindt dat Nederland er fout aan doet zijn hulp via het fonds te laten lopen. “Nederland geeft zo controle en supervisie over besteding van de hulp uit handen. De directe controle door Nederland ontbreekt. Het geschiedt immers, wat de naam Trustfund al zegt, in goed vertrouwen. Dat is in dit tijdsgewricht in Rwanda een slechte zaak.”

Het Grote meren platform, het overlegorgaan van Nederlandse NGO's, heeft onlangs in een onderhoud met de Nederlandse zaakgelastigde in Kigali gevraagd “zwaardere condities” te stellen aan de hulp. Maar volledige opschorting van de hulp is een slecht idee, vindt platform-voorzitter Noorman. “Ik vind niet dat de Nederlandse overheid zijn hulp aan Rwanda moet staken. Wat is het alternatief? De kans wordt dan alleen maar groter op nieuwe slachtpartijen.” Of zoals minister Pronk het deze zomer verwoordde: “Wie het riskant vindt te helpen, moet zich realiseren dat het nog riskanter is de situatie op haar beloop te laten.”