Dialoog met Tibetanen niet gericht op instant karma

Wheels within wheels, Bardo State Orchestra & Tibetaanse monniken uit het Osogchen klooster Gehoord 13/9 042, Nijmegen. Herhaling 17/9, 21:00 Bimhuis, Amsterdam.

Optredens van cultureel gemengde gezelschappen zijn vaak modieuze projecten waar een commercieel luchtje van new-age mystiek en gepolijste exotica omheen hangt. Niet-westerse elementen worden als quasi-diepzinnigheid over een gelikt arrangement gestrooid, daarmee verhullend dat de muziek eigenlijk weinig om het lijf heeft. Dat de samenwerking tussen het Bardo State Orchestra en de Gyuto monniken van de Tantristische Gelukpa-orde aan deze vloek ontkomt is te danken aan het feit dat het gezelschap geen concessies doet aan de westerse smaak en de authentiek Tibetaanse elementen niet in een makkelijk te consumeren vorm worden gegoten.

De drie leden van het Bardo State Orchestra zijn dan ook geen pretentieuze neo-hippies die Tibet via Walt Disney-films hebben ontdekt, maar langdurig in Tibetaanse gebruiken en rituelen geschoolde muzikanten. Ze hebben gedurende twintig jaar Tibetaanse chants, traditionele Indiase muziektradities en Siberisch 'throat-singing' bestudeerd en zich de oosterse muzikale traditie even eigen gemaakt als die van de westerse geïmproviseerde muziek. Hun samenwerking met de Tibetaanse monniken is een echte dialoog en niet een op 'instant karma' gerichte gimmick.

In het eerste deel van het optreden wisselden oosterse en westerse muziek elkaar af. Uit respect voor het religieuze karakter van de drie gebedsgezangen bestond de instrumentale begeleiding uit minimale vegen en tikjes op de bekkens, die als brug dienden naar de westerse intermezzo's. Deze geluidscollages van de Braziliaanse cellist, Amerikaanse trompettist en Schotse drummer vormden een compromisloos maar passend contrast met de sonore Tibetaanse boventoon-zang. Tegen een achtergrond van intuïtieve, voortdurend veranderende drumritmes en een met effectpedalen vervormde cello speelde trompettist Jim Dvorak een spaarzame melodie van afgeknepen noten. Drummer Ken Hyder vulde de gaatjes in dit verstilde geheel met langgerekte zuchten, gekreun en hoge, resonerende keelgeluiden.

Deze transparante en breekbare improvisaties zorgden ervoor dat de repetitieve en hypnotiserende gezangen van de met grote, gele kappen getooide Tibetanen niet te eentonig werden. De monniken zelf bleven ogenschijnlijk onaangedaan door de verrichtingen van de westerlingen. Met gesloten ogen, af en toe neuspulkend of geeuwend, wachtten zij hun beurt af om weer vanuit de laagste registers de goede geesten aan te roepen of de verwijdering van obstakels op het pad naar Nirvana te bewerkstelligen.

Pas na de pauze was er sprake van een fusie van oosterse en westerse technieken en geluiden. In het slotstuk vonden Oost en West elkaar in een stuk opgedragen aan de beschermheilige van de Gelukpa-orde en de Dalai Lama. Het steeds versnellende, schelle geluid van sin-yin en rollmo cymbalen versmolt met neurotisch gepluk aan de cello en blues-achtige trompetgeluid.