Decentraal loonbeleid is risico voor poldersucces

Met lagere economische groei zijn hoge centrale looneisen uit den boze. Maar alleen praten over hogere lonen in sectoren met personeelsschaarste houdt risico's in.

DEN HAAG, 15 SEPT. Tegelijk met de notie dat de economische groei over haar hoogtepunt heen is, kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek met de mededeling dat de reële lonen (de koopkracht) de afgelopen jaren van het Paarse kabinet niet zijn gestegen. Zo hoort het volgens politici ook, want dat feit representeert het succes van de polder: meer banen door loonmatiging. De banengroei is deze eeuw per slot nog niet zo groot geweest.

Kan wel zo zijn, stellen de werknemers, maar hoe zit het dan met al die optieregelingen voor hoger personeel? En hoe zit het de knelpunten op de arbeidsmarkt? Daar wringen werkgevers zich in de raarste bochten met bonussen, beurzen en het overhandigen van het sleuteltje van de leaseauto na afloop van het sollicitatiegesprek. Kortom: “Waar blijft mijn deel van die historische economische groei?”

Op het moment dat die vraag wordt gesteld is deze irrelevant geworden. Het behoedzame scenario met een jaarlijkse gemiddelde groei van 2,25 procent zou volgens de rekenmeesters van het kabinet, het Centraal Planbureau, wel eens te optimistisch kunnen zijn. In zo'n klimaat is het stellen van hoge looneisen uit den boze. De vakcentrales FNV en CNV komen niettemin met een percentage: de FNV eist 3,5, de christelijke werknemerscentrale CNV vervult meer een adviesrol voor de CNV-bonden en houdt het op een 'indicatieve looneis' van 3,25 procent. “Het CNV kiest voor kwaliteit in plaats voor kwantiteit”, meent hun nieuwe eerste man Doekle Terpstra, vandaar.

De werkgevers, verenigd in VNO-NCW, schreeuwen moord en brand. Ze vinden dergelijke percentages irreëel en zelfs gevaarlijk. Juist omdat het economisch tij nu keert èn omdat ze een verzwaring van één miljard van hun sociale lasten op zich af zien komen. VNO-NCW is ervoor opgericht om looneisen als irreëel en gevaarlijk af te doen. Maar of de eisen zo krankzinnig zijn, daarvan is het Centraal Planbureau nog niet zo zeker.

Niet alleen de werkgevers kampen volgend jaar met een lastenverzwaring, ook de werknemers krijgen daarmee te maken voor een bedrag van een half miljard. Het zorgt er onder meer voor dat hun koopkracht er volgend jaar een procent op achteruit gaat, althans bij een loonstijging van drie procent.

Frans Andriessen, oud-minister van Financiën, stelt vandaag in deze krant dat zelfs een loonstijging van drie procent onrealistisch is. “Het kabinet signaleert knelpunten op de arbeidsmarkt en dat vertaalt zich in hogere lonen. Inderdaad, stelt minister Zalm van Financiën: “De grootste kans op een tegenvaller lijkt te zitten bij de loonontwikkeling.”

Net als het CNV aan de werknemerskant, stelt aan de andere kant MKB-Nederland, de werkgeversvereniging voor het midden- en kleinbedrijf, dat een mogelijke oplossing voor dergelijke komende financiële problemen zou kunnen zijn om niet op centraal niveau met een looneis te komen, maar de bonden per sector zelf te laten onderhandelen. Bedrijfstakken waar kraptes zijn, komen dan op hoge loonstijgingen uit en waar de nakende economische crisis zich nu al doet gevoelen, kan een bescheiden loonstijging worden afgesproken.

Geheel zonder risico's is dit allerminst. Een lid van de ene bond ziet zijn onderhandelaars een mager procentje loonstijging uit het vuur slepen en ziet op televisie dat, als hij bij een andere bond had gezeten en in een andere bedrijfstak, hij misschien wel een loonsverhoging van tien procent tegemoet had kunnen zien.

Onrust op de arbeidsmarkt, derhalve. Waarschijnlijk een grotere onrust dan wanneer de lonen slechts met drie procent stijgen en de koopkracht achteruit kachelt.