De Nederlandse economie

De groei van de Nederlandse economie loopt terug van vier procent dit jaar naar drie procent in 1999. De groei van drie procent wordt gelijk verdeeld over consumptie en export, elk goed voor 1,25 procentpunt. Het restant betreft voor het grootste deel de investeringen.

De investeringen van bedrijven vormen de enige uitzondering op het feit dat met de terugval in de groei alle overige indicatoren volgend jaar mee omlaag gaan. De investeringen waren in 1997 dermate hoog, met name in luchtvaart en energie, dat ze dit jaar welhaast moeten dalen om in '99 weer een normaler niveau te bereiken. De groei van de consumptie bereikt zijn hoogtepunt, terwijl im- en export dalen na dit en vorig jaar op hun top te zijn geweest.

Samen met de koopkracht zal ook de consumptie dalen. Ook de inflatie zal licht afnemen. De afnemende groei heeft ook zijn weerslag op de werkloosheid. Die daalt nog wel, maar het tempo is gelijk aan dat van vier jaar geleden. Toen daalde de werkloze beroepsbevolking met zeven procent tot zo'n 500.000. De daling van het vorige jaar op dit jaar is bijna twintig procent. Kennelijk is de rek er uit. Naar verwachting daalt de werkloosheid met een bescheiden 25.000 personen.

Er zijn bijna twee keer zoveel mensen met een werkloosheidsuitkering dan er geregistreerde werklozen zijn. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat voor WW'ers ouder dan 57,5 jaar geen sollicitatieplicht geldt. Zij worden niet meegeteld als werklozen.

De verhouding tussen niet-actieven en actieven daalt mondjesmaat. Volgend jaar zijn er op elke 100 werkenden 73 mensen met een uitkering, van wie ruim 34 jonger zijn dan 65 jaar.