WISPELWEY

Wispelwey: cellosuites van Bach. Channel Classics CCS 12298 (2 cd's voor halve prijs).

Toen Pieter Wispelwey in 1990 voor de eerste maal de Suites voor cello solo van Bach op cd vastlegde, was in zijn eigen woorden de Freudiaanse 'vadermoord' op zijn voormalige leermeester Anner Bijlsma een feit. Met dit muzikaal gezaghebbende statement sloeg Wispelwey een andere weg in dan zijn docent, misschien wat minder historisch gefundeerd, maar wel spontaan en muzisch. Het werd een prachtige opname die gemakkelijk de rest van zijn carrière had meegekund. Maar Wispelwey heeft de suites - dat door Pablo Casals herontdekte hoogtepunt uit de cello-literatuur - opnieuw vastgelegd.

Er zijn eigenlijk maar twee zaken gelijkgebleven: het instrumentarium (zowel de achttiende-eeuwse gewone cello als de piccolocello waarop hij de laatste suite speelt) en Wispelweys overheersende muzikale persoonlijkheid, die nu zich echter veel vrijer lijkt te kunnen ontvouwen.

In vergelijking met de eerste opname van de suites kiest Wispelwey opvallend vaak voor andere tempi. Meteen in het eerste Preludium van de Eerste suite zet hij er flink de hakken in. Ook de fraseringen zijn anders. Puntiger in de gebroken akkoorden, meer open ademend in de polyfone weefsels. Wispelwey is in deze nieuwe opname nog meer 'zichzelf'. Dat betekent overigens tegelijk een beetje minder 'authentiek' in stijlopvatting, al gaat hij daarin lang zo ver niet als Rostropovitsj, die met iedere Sarabande het credo zingt van de romantische Bach, intussen door de historische uitvoeringspraktijk meedogenloos aan het kruis is genageld.

Wispelwey blijft de notentekst trouw en voegt er niet zoals de Amerikaanse meestercellist Nathiel Rosen verdwaalde noten uit de luitversies aan toe. Wispelwey speelt vaak loepzuiver en met een ritmische consistentie waaraan Yo-Yo Ma een voorbeeld kan nemen. Nog meer dan voorheen hebben de verschillende suites nu allemaal een eigen karakter gekregen. Introspectief, blijmoedig, monumentaal, triomfantelijk. Eén ding heeft Wispelwey nog altijd gemeen met Bijlsma: het onvervaarde, risicovolle spel. Dat Wispelwey juist die eigenschap koestert, siert leraar èn leerling.