Wethouder Hekking hoedt gulden en euro

Morgen levert minister Zalm de Miljoenennota 1999 af in de Tweede Kamer. Een werkstuk dat tot stand komt onder regie van 's rijks schatkistbewaarder. Profiel van persoon en functie van de man achter gulden en euro: de thesaurier-generaal.

“Je staat op mijn lijstje, ik bel je nog eens”, had Gerrit Zalm hem een paar keer in het voorbijgaan toegefluisterd. In het voorjaar van 1996 belde de minister van Financiën; juist op het moment dat Jan Willem Oosterwijk met zijn minister, Annemarie Jorritsma van Verkeer en Waterstaat, met de Belgen onderhandelde over de kosten van de hogesnelheidstrein. “Verrekte veel geld”, weet hij zich te herinneren. “Ik dacht, Gerrit gaat een maximum vastleggen, maar hij vroeg of ik thesaurier-generaal wilde worden. 'Je belt op een ongelukkig moment', zei ik, 'ik bel terug'.”

De toenmalige topambtenaar van Verkeer en Waterstaat belde terug en zei ja. De twee economen kennen elkaar sinds het begin van de jaren tachtig. Zalm begon zijn ambtelijke carrière bij Financiën, waar hij enthousiast meewerkte aan de 'Eénprocentsnota' van minister Wim Duisenberg. De groei van de collectieve uitgaven moest worden beperkt. Op Economische Zaken was Oosterwijk een van de architecten van de investeringssubsidie WIR. Zalm moest bezuinigen, Oosterwijk mocht uitgeven. Begin jaren tachtig kwam hun loopbaan samen toen Zalm overstapte naar Economische Zaken. Hij werd directeur van de afdeling Algemene Economische Politiek, de denktank van het ministerie en de vaste sparringpartner van secretaris-generaal Frans Rutten bij het uitzetten van beleid. Zalm benoemde Oosterwijk als zijn plaatsvervanger. “Een hecht duo”, zegt hun toenmalige collega Jarig van Sinderen. “Gerrit extrovert en creatief. Jan Willem introvert en punctueel. En hij is een man van de afspraak en de klok. Stipt om half zes, en geen minuut later, ging hij altijd naar huis.”

Na vele telefoontjes met zijn oud-compaan Zalm maakte Oosterwijk op 1 juli vorig jaar de overstap naar Financiën. Nederland had er net een half jaar voorzitterschap van de Europese Unie opzitten. “Jan Willem gaat aan de slag als het meeste werk achter de rug is”, grapte Zalm toen hij op het departement de opvolger introduceerde van Henk Brouwer, die directeur werd bij De Nederlandsche Bank. “Gerrit is geen spat veranderd. Ook op EZ maakte hij dit soort jokes; ik laat het maar over me heen komen”, verzucht Oosterwijk.

De functie van thesaurier-generaal is de oudste, meest invloedrijke, en eenzaamste in ambtelijk Den Haag. In de middeleeuwen hadden de graven van Holland al een schatkistbewaarder: een 'tresorier' (van het Franse 'trésor', schatkist). De bruin eikenhouten schatkist staat nog steeds bij de kamer van de minister van Financiën.

De thesaurier is belast met het algemene financieel-economische en monetaire beleid, het binnenlands geldwezen en het buitenlands financieel beleid - een spin in het financieel-economisch web. Hij vertegenwoordigt de regering als commissaris in semi-overheidsbedrijven als de KLM, bezoekt de vergaderingen van OESO, IMF en Wereldbank en schuift aan bij de wekelijkse lunch van de minister van Financiën met de president van De Nederlandsche Bank. En hij is verantwoordelijk voor de vervanging van de gulden door de euro. “De thesaurier is mijn belangrijkste adviseur”, vat Zalm samen.

Toch was er een tijd dat hij nóg meer te doen had. Een van Oosterwijks voorgangers, Johannes Witteveen, besloot in 1970 de functie van 's lands schatkistbewaarder te verlichten. Er kwam een directeur-generaal voor de rijksbegroting. “De thesaurier-generaal wordt te machtig”, liet Witteveen zich in die tijd ontvallen.

Schatkistbewaarder is een eenzame functie, zo hebben de voorgangers van Oosterwijk ervaren. “Je kunt bij niemand je hart uitstorten, want politici en collega-ambtenaren willen allemaal geld van je. Geef ik een gulden vandaag uit of morgen, daar gaat het om”, zegt Pieter Korteweg (Robeco). Toch bestaat er een genootschap waar een nieuwe thesaurier zijn hart kan luchten: de 'thesauriers-club'. Zo'n twintig jaar geleden werd dit exclusieve herengezelschap opgericht. De leden ervan zitten nu op sleutelfuncties bij financiële instellingen. Eens per twee maanden gaan de (oud-)thesauriers en (oud-)directeuren-generaal rijksbegroting uit eten. Tot de laatste categorie behoort Lenze Koopmans (Rabo).

“Alles kan worden besproken in absolute vertrouwelijkheid. Het is een echte vrindenclub”, zegt Coen Oort (ABN Amro). “Een club van verwante zielen”, meent Nout Wellink (De Nederlandsche Bank). Om er in één adem aan toe te voegen “maar we doen geen zaken”. Het genootschap treft elkaar in rustige zaaltjes van exclusieve restaurants, in de bestuurskamer op een van de banken, of in de sfeervolle eetkeuken bij een van de leden thuis in Friesland. De zittende thesaurier wordt altijd vrij gehouden. “Hij kan het ook niet betalen”, grapt Korteweg. Ter illustratie: de voormalige thesauriers verdienen gemiddeld vijf keer zoveel als Oosterwijk (ruim 200.000 gulden). Peanuts is het salaris in vergelijking met de vergoedingen in het financiële bedrijfsleven, zo vindt het genootschap unaniem.

Het gezelschap “bespreekt de wereld” (Oort). Ideeën worden getoetst, beleid wordt besproken, en er worden - veel - grappen gemaakt over de politiek. Het genootschap heeft een eigen 'club-arts' (de Groningse neuro-chirurg professor Jan Beks), een kloek wetenschappelijk boekwerk laten samenstellen over de functie ('Van tresorier tot thesaurier-generaal') en een heuse orde ('grootkruis in de orde van de thesaurier'; goud voor de 'echte' schatkistbewaarder en zilver voor degenen die thesaurier hadden willen worden). Een “uniek gezelschap”, meent Oosterwijk, waar je en passant ook de mores van het vak leert. “Tijdens de eerste keer werd me te verstaan gegeven dat je thesaurier bent bij de minister en niet van.”

Sinds een jaar maakt Oosterwijk deel uit van de vriendenclub. “Tot nu toe heeft Jan Willem zich zeer bescheiden opgesteld”, mort een van de leden. “Hij kijkt de kat uit de boom; hij heeft ons nog niet geconsulteerd en houdt de kaarten aan de borst. Wat dat betreft valt hij een beetje uit de boot, maar het kan nog bijdraaien. Hij is een ingetogen man.” De leden typeren hun nieuwste lid als een loyale, doortastende slimme ambtenaar, verknocht aan de publieke zaak. “Iemand met levenslang”, zoals dat heet.

In een vraaggesprek met het personeelsblad 'Wij van Financiën' typeert Oosterwijk ook zichzelf als “een overheidsdier”. Oosterwijk: “Ambtelijk ondernemerschap ligt mij meer dan commercieel ondernemerschap. Daar ben ik het type niet voor.” Die kwaliteiten heeft Frans Rutten, voormalig topambtenaar van Economische Zaken, als eerste ontdekt, zo zegt hij. “Een intelligente en bezonken economisch bestuurder”, schetst Rutten. “Niet iemand met wilde ideeën. Aan een grondige kennis paart hij enige fantasie. Hij levert constructieve en goede ideeën.”

Oosterwijk (47 jaar, getrouwd, drie kinderen) groeide met één oudere broer en één oudere zus op in een welvarend gezin. In verkiezingstijd hing het VVD-affiche voor de ruiten in Deventer. Zijn vader was een sociaal-bewogen industrieel die overdag tubes voor tandpasta produceerde; en zich 's avonds inzette voor de reclassering.

De jonge gymnasiast werd aanbeden door zijn lerares Grieks. Hij combineerde alle prettige eigenschappen die je een leerling toewenst, zeggen zijn docenten Frans de Joode (wiskunde) en Tjitte Janssen (klassieke talen). Intelligent en beleefd, vlijtig, knap, muzikaal en sportief, maar bepaald geen doetje. “Hij had niet eens jeugdpuistjes”, weten zijn oud-hockeyploeggenoten.

Voorbestemd om arts te worden, ging hij na zijn gymnasium beta toch economie studeren in Groningen. Hij werd assistent bij professor Floor Hartog, die hem nog steeds “mijn top-student” noemt. In die tijd leerde hij onder meer Jan Postma kennen, de huidige secretaris-generaal van Financiën. Een rustige corpsstudent, lid van D66 (later zou hij dit lidmaatschap opzeggen omdat de partij “niet beklijfde”), die zich onderscheidde met loslopende kippen in zijn tuin in de Poelestraat en - uiteraard - cum laude afstudeerde.

Aan het eind van zijn studie koos hij bewust voor de publieke dienst: “Intellectueel uitdagender dan het bedrijfsleven.” Na zijn dienstplicht, reserve-officier bij de Koninklijke Landmacht, begon hij in 1977 op het ministerie van Economische Zaken. Hij zou het brengen tot plaatsvervangend-directeur-generaal industrie en regionaal beleid. De 'Ruttenboy' maakte begin jaren negentig de overstap naar Verkeer en Waterstaat, tot ongenoegen van zijn leermeester. “Ik heb hem een topfunctie aangeboden, maar hij zei 'ik hoef niet zo jong DG te zijn'. Achteraf een goede beslissing; anderen willen snel carrière maken. Hij kiest zijn eigen moment.”

De directeur collectief personenvervoer, die zijn stukken altijd ondertekende als plaatsvervangend directeur-generaal voor het vervoer, stond na twee jaar al op de derde plaats - na minister Annemarie Jorritsma en NS-topman Rob den Besten - in de top tien van de decision makers in het openbaar vervoer, analyseerde het vaktijdschrift Openbaar Vervoer.

Hij was verantwoordelijk voor de invoering van marktwerking in het openbaar vervoer. Een wespennest, want bestaande belangen worden aangetast. Kalm, aimabel en overtuigd van zijn missie ging hij te werk, zegt zijn toenmalige chef Bram Westerduin. “Drammerig? Nee, eerder een combinatie van tact en uithoudingsvermogen.” Zijn toenmalige collega Siebe Riedstra roemt zijn bestuurlijk inzicht “een taaie onderhandelaar, die geen vijanden maakt.”

Kwalificaties die goed van pas komen in zijn nieuwe functie. Opvallend was dat hij geen relevante ervaring had met het thema overheidsfinanciën, ogenschijnlijk een voorwaarde voor het thesaurierschap. En ook de ambtenaren van Financiën waren zeer verbaasd dat 'een jongen van trein en bussen' thesaurier werd. “Ik wist hoe snel hij dingen oppikt”, zegt Zalm . “Het voordeel was dat er een ervaren minister zat, namelijk ik, en Jan Willem een half jaar de tijd heeft gehad om zich in te werken.” En tijdens het inwerken probeert Oosterwijk zelfs iets op te pikken van Zalms humor. Bij de Eurotop in Amsterdam in juni vorig jaar schoof hij de minister van Financiën voor het oog van de tv-camera iets opzij en parodieerde op de door van Kooten en de Bie geïntroduceerde burgemeester en wethouder van Juinen. “Dat was lachen”, gniffelt Zalm. “Sindsdien noem ik hem mijn wethouder Hekking.”

De functie van 's rijks schatkistbewaarder is een ideale opstap naar een vitale en aanzienlijk beter betaalde baan. Pieter Korteweg windt daar geen doekjes om. “In geen functie in Den Haag doe je op zo'n veelvuldige wijze inzicht op in financiële verhoudingen, zowel nationaal als internationaal. Je hebt op een gegeven moment zo'n ongelooflijk brede ervaring. Geen wonder dat zoveel thesauriers-generaal in het financiële bedrijfsleven terechtkomen.” Minister Zalm is daar ook niet verbaasd over. “Het binnenlands geldwezen zit in de portefeuille van de thesaurier, dus het verbaast me niet dat velen de overstap maken. En vanuit de bank geredeneerd: je koopt geen kat in de zak, want meestal heb je jarenlang met de persoon in kwestie te maken gehad.” Korteweg maakte de overstap naar de beleggingsmaatschappij Robeco. Zijn voorgangers Coen Oort en Nout Wellink vertrokken naar het bankwezen; respectievelijk ABN en De Nederlandsche Bank. Cees Maas ging naar de ING bank; en Henk Brouwer naar De Nederlandsche Bank. Bijzonder was de stap van de onlangs overleden Willem Drees. In 1969 volgde hij Emile van Lennep (vertrokken naar de OESO) op om in 1971 deze baan in te ruilen voor het lijsttrekkerschap van DS'70 en vervolgens een ministerschap. Met het aantreden van Jan Willem Oosterwijk draait het speculatie-circuit al weer op volle toeren. “Ik hou de speculanten van het lijf met de mededeling dat ik net zo lang hoop te blijven als Van Lennep.” In 2015 wordt, op zijn laatst, duidelijk of Jan Willem Oosterwijk het na-oorlogse record van achttien jaar thesaurierschap gaat breken.