Schitterende ernst

Het is een mooi boek, De jaren in Zeedorp van H.C. ten Berge. Het beschrijft een tijd, de late jaren vijftig, en een jeugd, en een mismoedig makende onmogelijke liefde.

Het regent vaak in deze roman en het is ook vaak winter, want de zomer, vindt de hoofdpersoon, dat is eigenlijk een onmogelijke tijd. Hij heeft gelijk. De zomer is anti-nadenkelijk, de zomer vraagt altijd om vreugde en buitenleven, en voor wie niet zo gelukkig of uitgelaten is, is dat een ramp. Maar in de eerste plaats is De jaren in Zeedorp een roman die bestaat uit een stijl en een gemoedstoestand. En zowel die stijl als die gemoedstoestand zijn niet van nu, maar van toen, alsof Ten Berge een archeologie van het praten en voelen van de jaren vijftig heeft bedreven.

Wat opvalt is de enorme ernst die ten grondslag ligt aan alles wat er gezegd, gedaan, gedacht en gevoeld wordt. Is de ernst dan nu verdwenen? Dat is ook een tikkeltje overdreven om te beweren. Maar de kans dat een 19 of 20-jarige jongen over een meisje van zeventien zou zeggen: “Zij is de grond waar ik op sta” en dat een oudere vriend, met dezelfde vanzelfsprekende ernst zou antwoorden: “Louise is je lotsbestemming. Daar komt het vooralsnog op neer” is heel klein.

Nu is een roman de werkelijkheid niet en het is onzin eruit af te leiden dat de mensen 'vroeger' ontzaglijk veel ernstiger waren dan nu. Maar dat veertig jaar geleden een andere toon heerste ten aanzien van dingen die belangrijk waren, lijkt wel zeker.

Alles in deze roman wordt met overgave gedaan. Niet omdat het allemaal evident van belang is, maar omdat er een vanzelfsprekende waarde gehecht wordt aan wat men doet, los van de mogelijke maatschappelijke waarde. Integendeel zelfs, wat men doet om geld te verdienen is niet datgene waar het echt om gaat. Het gaat ook beslist niet om geld. Misschien is het dat laatste vooral dat het gevoel geeft dat deze roman zeer unzeitgemäss is. Inzet, concentratie, aandacht worden steeds vaker niet meer van belang gevonden om zichzelfs wille, maar alleen maar als ze ergens toe leiden. Liefst tot iets dat maatschappelijk en economisch profijtelijk is.

Een duidelijk voorbeeld van die houding gaf onlangs de heer C. Herkströter, oud-topman van Shell, bij de opening van het universitaire jaar aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij meende, zo schreef deze krant, dat “beroepsgerichte kennis en vaardigheden het wetenschappelijke gehalte van het onderwijs niet in gevaar hoeven te brengen. Wetenschappelijk onderwijs is pas van kwalitatief hoog niveau als de afgestudeerden probleemloos kunnen worden ingezet op de arbeidsmarkt.”

Men gelooft zijn ogen niet. Bij de opening van het academisch jaar is er werkelijk een of andere captain of industry die het lef heeft om te zeggen dat academisch onderwijs dat niet tot 'probleemloze' marktgeschiktheid opleidt, niet van 'kwalitatief hoog niveau' is. En deze man is voorzitter van de Raad van Toezicht van de Rotterdamse universiteit. Zijn ze daar allemaal gek geworden in Rotterdam? Of moet men nu maar denken: ach, dat is een vooral economische universiteit, wat kun je ook van zulke mensen verwachten? Er moeten toch ook weldenkende economen bestaan.

Je zou niet eens weten waar je moest beginnen deze onzin tegen te spreken. Het vervult met een diepe moedeloosheid. Dat iemand dit simpele nuts-denken binnen de universiteit te berde kan brengen, dat hij dan niet uitgejouwd wordt, dat hij vast en zeker zelfs met applaus beloond is toen hij uitgesproken was, applaus afkomstig van mensen die een zogenaamde academische opleiding verzorgen - hoe kan het.

Een van de grootste vreugdes van studeren is het ontdekken van een zich eindeloos uitbreidend en vertakkend net van kennis, vragen, interpretaties, mogelijkheden. Men leest bijvoorbeeld enkele middeleeuwse Arthur-romans. Daar is een stad van boeken en studies aan gewijd. In die stad zijn wijken. In die wijken straten en stegen. Een zo'n steeg heet bijvoorbeeld: “De functie van de dwerg in de Arthur-romans”. Een meesterlijk onderwerp, want in elk van die romans is altijd wel een dwerg, maar wat doet die daar? Daar heeft blijkbaar iemand eens goed over nagedacht en de gelukkige student in de bibliotheek volgt de dwergen-overwegingen. Zo slaat men steeds weer zijwegen in die afbuigen van de grote lijn, die de lijn is van inzicht in de middeleeuwse Nederlandse letterkunde. Wie zich daar met hart en ziel instort, staan eindeloos veel vreugdes te wachten, zij het dat die vreugdes vandaag de dag allemaal wat ingekrompen zijn, want een student hoort haast te hebben om zo spoedig mogelijk de arbeidsmarkt te bereiken.

Vreugde telt natuurlijk niet als doel. Aandacht ook niet. Schoonheid ook niet. Dwergen in middeleeuwse verhalen ook niet. En waarom zou koning Arthur er eigenlijk iets toe doen, of de middelnederlandse letterkunde? Onderwerpen van kwalitatief zeer laag niveau, want van nul en generlei waarde voor probleemloze plaatsing op de arbeidsmarkt. Classici kunnen helemaal wel inpakken. Of wiskundigen. Wie is er beter van geworden dat die stelling van Fermat nu eindelijk bewezen is? Daar is krankzinnig veel geld in gaan zitten. Als je denkt aan al die wiskundigen over de hele wereld die drie eeuwen lang tijd besteed hebben aan het raadsel dat Fermat had opgegeven, en dat voor iets waarvan de marktwaarde nul is. De Mondriaan is er een koopje bij. Allemaal ter wille van de wiskunde zelf, ter wille van haar schoonheid, ter wille van de vreugde van de ontdekking, ter wille van de verhoging van de kennis, ook al is die kennis niet meteen nodig of nuttig.

Enfin. Die meneer Herkströter zal op zijn manier ook wel ernstig geweest zijn. Misschien een voorbeeld van 'absurde ernst', een begrip dat Wislawa Szymborska introduceert in haar zojuist verschenen Onverplichte lectuur. Ook alweer een boek waarin aandacht voor zo op het oog overbodige zaken, die zaken nu juist niet overbodig maakt. Gelukkig bestaat er literatuur, als bewaarplaats en bron van waar het om gaat. En gelukkig vinden de universiteiten het nog steeds de moeite waard om zich daarmee bezig te houden, al wordt het geld dat daarvoor nodig is met een steeds zuiniger gezicht en in steeds geringere hoeveelheden beschikbaar gesteld.

In De jaren in Zeedorp wordt veel gelezen, veel geciteerd, veel verbonden met taal. Allemaal met 'schitterende ernst'. Ook een mooi begrip van Szymborska. 'Sprankelende ernst', mag ook. Maar liever geen verkoopbare ernst.