Rupsje Nooitgenoeg

Wie over de Utrechtsbrug Amsterdam binnenrijdt, bevindt zich meteen in het RAF-imperium. Een hemelsblauwe lichtbalk op de linkergevels wijst de weg naar de wereld van videocamera's en high end audio's van A.M. Rafalowicz. Zijn ouders hadden om de hoek ooit een elektrazaakje, hijzelf bezit inmmidels zowat een heel blok in de Rijnstraat. Nu de overkant nog. Daar is al een computer/telecomwinkel van RAF, binnenkort uitgebreid met de leeggekomen ruimte van een porseleinzaak. Daarna hoeven alleen de groene dakpannen van het belendende Chinese restaurant nog vervangen te worden door het RAF-blauw.

Op een donderdagavond in Chinees Restaurant China Grand wacht een groepje verkopers van RAF op hun afhaalbestelling. Eigenaar Lim brengt pang sit naar een tafel met grijze heren en dames uit de buurt. In een hoek zit rond een pot Chinese thee een groepje boze buurtbewoners. Ze hebben het over de megalomane meneer Rafalowicz. Tien jaar geleden kocht hij het pand van de Chinees. Vanaf 1 januari wil hij het leeg opgeleverd hebben.

Pure grootheidswaanzin, menen ze. In de loop der jaren hebben ze gezien hoe RAF zich als een Rupsje Nooitgenoeg door de leeggekomen panden van een fietswinkel, meubelzaak, herenmodeboetiek, kiosk, sigarenboer en postigirokantoor heenvrat. En hoe Rafalowicz - nog steeds hongerig - ook de achtertuinen volbouwde. Het is gedaan met hun gezellige winkelstraat. Dat dat allemaal maar mag van de deelraad. Want zeg nu zelf: de RAF heeft zo'n achttien winkels en er is maar één Chinees. Daarom zijn ze nu voor de meneer Lim een handtekeningenactie gestart. De kantonrechter bepaalde al dat de heer Rafalowicz de wet aan zijn kant heeft, maar wie weet kan er in het aangetekende hoger beroep nog wat veranderen.

Op het stadsdeelkantoor noemen ze RAF “een trekker”. Niet dat de zaak een voorkeursbehandeling krijgt, maar ze “erkennen wel het belang en de uitstraling voor de winkelstraat”. Klanten komen er uit de wijde omgeving voor naar de Rivierenbuurt. Als de zaak uitverkoop houdt, bivakkeren sommigen in slaapzak voor de deur en serveert de zaak 's ochtends ontbijt op het trottoir.

De winkeliers in de Rijnstraat halen intussen de schouders op. De buurtbewoners die zo klagen over hun teloorgegane winkelstraat, lopen hun zaak voorbij met lange armen van de boodschappen van de Dirk van de Broek en vinden het dan zo gezellig om even naar de etalages te kijken. Natuurlijk, de eigenaar van de notenbar had ook liever een poelier en een banketbakker als buur, maar het is nu eenmaal een economisch gegeven dat veel kleine zelfstandigen het afleggen tegen de grootwinkelbedrijven. Liever het hightech imperium van RAF dan onduidelijke zaakjes van laag allooi.

Economisch gegeven of niet - de Chinees heeft iets teweeg gebracht. De buurt heeft hem ingezet als symbool om de vooruitgang een halt toe te roepen. Meneer Lim heeft inmiddels 1.500 formulieren met handtekening verzameld, vaak voorzien van emotionele opmerkingen: 'Lim moet blijven, want waar is onze gezellige Rijnstraat gebleven?'

Het zijn opmerkelijk genoeg niet alleen de oude bewoners van de Rivierenbuurt die zich druk maken. Hun houding valt te begrijpen. Ze zien de laatste jaren hoe glanzende lease-auto's de plaats innemen van vrijgekomen invalide-parkeerplaatsen en hoe jonge gezinnen en tweeverdieners geen oor meer hebben voor de praatjes van de dag.

Maar ook de nieuwe generatie loopt te hoop om de Chinees te redden. Journaal-presentatrice Sacha de Boer schrijft op een van Lims formulieren: 'Hoe is het mogelijk dat een (uitstekende) zaak die al 26 jaar in dit pand zit, door een uit z'n kluiten gewassen radio/tv zaak verdreven kan worden!' Gevolgd door de uitroep: 'Hoeveel smeergeld is hiermee gemoeid?' En directeur van vervoersbedrijf Lovers Peter Sul - zelf toch een groot voorstander van marktwerking - schrijft: 'Expansiedrift heeft z'n grenzen.'

De liefde voor een straat lijkt door de maag te gaan.