Heer gemaal

“Vanavond heb ik weer in mijn eentje moeten eten”, zegt Rosa tegen haar zuster, die op de koffie is.

“Eigen schuld”, antwoordt deze. “Je verwent hem te veel.”

Maar dat wil Rosa niet horen. Ze wil klagen en beklaagd worden. “Nooit houdt hij rekening met mij”, zucht ze. “Zelfs de financiën...”

Juist buigt ze zich als een samenzweerster naar haar zuster wanneer ze haar heer gemaal hoort thuiskomen. Snel gebaart ze van mondje dicht en kijkt op de klok: half tien. In de tv-gids zoekt ze welke programma's haar man heeft aangekruist, zet dat van half tien aan en schuift de enige luie stoel die de kamer rijk is voor het toestel.

Beide vrouwen horen hoe de meester de portaalmat passeert zonder zijn voeten te vegen en hoe hij zijn jas op de vloer van de gang laat vallen. Rosa's blik is op de deur gericht.

De man komt de kamer binnen met een grom die tendeert naar een groet. Als hij zijn schoonzuster opmerkt, wuift hij galant. Dan zakt hij in de luie stoel en laat zich de afstandsbediening aanreiken zonder 'dank je' te zeggen.

Rosa, wier vaat allang weer schoon in de kast staat, schuift voor de tweede keer die avond achter het fornuis. De zuster keert haar stoel naar de tv en kijkt zwijgend met haar zwager mee.

Als de geur van gebraden vlees de kamer vult, gaat Rosa met een grote handdoek naast de stoel van haar man staan en wacht tot hij zijn armen heft. Dan spreidt ze snel de handdoek over zijn schoot. Ze plaatst een glas wijn op het bijzettafeltje, tilt zijn hand op en brengt die naar het glas om te zien of het op de juiste reikwijdte staat. Daarna schept ze het eten op een voorverwarmd bord, zet dat op een blad en wacht opnieuw naast zijn stoel tot hij zijn armen heft. Ze plaatst het blad op de doek en geeft hem zijn bestek in handen.

“Ik hoor geen dank je”, zegt de zuster met harde stem. Zwijgend neemt de man de eerste hap. Natuurlijk heeft hij niets gehoord: de tv staat immers aan!

Rosa's gezicht is verstrakt. “Ik laat je even uit”, zegt ze. Haastig loodst ze haar zuster naar de deur, raapt en passant de jas van haar echtgenoot van de grond, hangt die aan de kapstok en helpt haar zuster in haar mantel.

“Als jij ophoudt met verwennen”, zegt deze, “wordt hij vanzelf aardiger.”

“Ssst”, fluistert Rosa met een blik naar de kamerdeur, maar haar zuster is niet te remmen.

“Vorige week, toen jij niet thuis was, vroeg hij of ik thee wilde. Mijn mond viel open. Maar hij was nog niet dicht of hij zei: 'Je weet waar het staat.' Ik heb hem voor varken uitgemaakt. Ik heb hem gezegd dat hij bij jou een leven had als een luis op een zeer hoofd. Weet je hoe hij reageerde? Hij grijnsde en knikte. Hij was het volkomen met mij...”

Uit de kamer klinkt een bevelend geluid. Rosa duwt haar zuster de deur uit en haast zich terug. De man werpt een snelle, peilende blik op het gezicht van zijn vrouw en steekt zijn hand naar haar uit. Terwijl hij naar het scherm blijft kijken, trekt hij haar naar zich toe en legt behoedzaam zijn hand om haar borst. Rosa knielt naast hem neer en sluit haar ogen. Haar gezicht krijgt een vredige, luie uitdrukking.