Amerikaanse democratie zet zichzelf klem

Met de publicatie van het rapport van Kenneth Starr is het Amerikaanse bestel met zichzelf in de knoop geraakt. Het Huis van Afgevaardigden staat nu voor de ontmoedigende taak om Starrs schandaalverhaal terug te brengen tot een besluit dat de historische, staatsrechtelijke en morele toets kan doorstaan, de menselijke waardigheid recht doet en het ernstig verstoorde geestelijke evenwicht in de Amerikaanse samenleving helpt herstellen. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat het uit de verlichte achttiende eeuw stammende en ruim tweehonderd jaar lang min of meer succesvolle Amerikaanse experiment in democratie en individuele vrijheid zo kon ontsporen?

Een aantal oorzaken is te noemen: de vergiftigde verhouding tussen de politieke partijen, de verkramptheid in de onderlinge verhouding der seksen, de verzwakking van het presidentschap in relatie tot de wetgevende en de rechtelijke macht, het extremisme aan de randen van de Amerikaanse politiek, de toegenomen ontvankelijkheid voor die agitatie in de hoofdstroom van de politiek en de media, meer in het algemeen de ontsporing van wat wel de onderzoeksjournalistiek wordt genoemd.

Het bekend worden van de extravaganties van Clinton en stagiaire Lewinsky heeft sinds het begin van dit jaar de toon gezet, maar naar nu blijkt kwamen de onthullingen van Lewinsky's vriendin Linda Tripp op een moment dat eerder begonnen onderzoeken van Starr tegen de president op dood spoor waren geraakt. Starr had in die eerdere onderzoeken geen gronden gevonden voor impeachment (in staat van beschuldiging stellen) van de president. Het vermoeden dat Clinton meineed had gepleegd in zijn getuigenis in de zaak van Paula Jones heeft de onafhankelijke aanklager daarna aangegrepen om zijn jacht op het staatshoofd te heropenen. In het Amerikaanse tweepartijensysteem is lang niet altijd sprake van polarisatie. Uiteindelijk bijvoorbeeld haalde de Democraat Clinton in onderhandelingen met de Republikeinse meerderheid in het Congres een compromis binnen over een begroting in evenwicht dat aanvaardbaar bleek voor volksvertegenwoordigers van zijn eigen partij. Maar wanneer het gaat om de werkelijke strijd om de macht zijn vuile trucs normaal en gedragen Amerikaanse politici zich gewoonlijk als elkaars doodsvijanden.

Zo was de paranoia van president Nixon, die leidde tot het Watergate-schandaal en tot zijn voortijdig vertrek uit het Witte Huis in 1974, een rechtstreeks gevolg van zijn vele jaren gekoesterde wrok tegen John F. Kennedy en de Democratische partij. Nixon was ervan overtuigd dat Kennedy hem in 1960 de zege in de presidentsverkiezingen had ontstolen. Tijdens de campagne voor zijn herverkiezing in 1972 vreesde Nixon nieuwe machinaties. De inbrekers in het hoofdkwartier van de Democraten in het Washingtonse Watergategebouw waren er op uit afluisterapparatuur te installeren om ditmaal dergelijke machinaties voor te zijn.

Bill Clinton was zes jaar geleden een nieuw type politicus. Hij was een Democraat, maar hij had afscheid genomen van het links-liberale gedachtegoed en hij had zich losgemaakt uit de houdgreep van de vakbonden. Met zijn aantrekkingskracht op het midden van het electoraat vormde Clinton een directe bedreiging voor twaalf jaar continue Republikeinse suprematie in het Witte Huis. De zittende president, George Bush, bleek geen partij voor de jeugdige gouverneur van Arkansas.

Maar twee jaar later was Clinton een teleurstelling gebleken. Van zijn voornemen de Amerikaanse verzorgingsstaat opnieuw in te richten was niets terecht gekomen. Een machtig verbond van medici en verzekeringsmaatschappijen had hem de voet dwars gezet. De Republikein Newt Gingrich ontnam met zijn conservatief-ideologische Contract voor Amerika in de Congresverkiezingen van 1994 de Democraten bovendien hun traditionele meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. De Clinton-revolutie was in haar tegendeel verkeerd. Toch wist de president zich weer op te richten. Uit een hard gevecht om het budget - in werkelijkheid om het behoud van de verzorgingsstaat - waarbij tot twee keer toe de federale regering op slot ging, kwam Clinton als overwinnaar te voorschijn. Weliswaar bleef in 1996 het Congres in Republikeinse handen, maar een tweede termijn van vier jaar in het Witte Huis was verzekerd. Clinton had voor zichzelf een plaats in de geschiedenisboeken weten open te houden. Op het hoogtepunt van het gevecht om het budget eind 1995 kwam Clinton in contact met Monica Lewinsky, die in het Witte Huis een aanstelling had gekregen als stagiaire. De tragedie kon zich voltrekken. Een jaar eerder, op 6 november 1994, had Paula Jones, een voormalige employee van de staat Arkansas, een zaak tegen de president aangespannen wegens ongewenste seksuele intimiteiten in de tijd dat hij daar gouverneur was. Tegen Clintons verzet in besloot rechter Susan Wright dat de advocaten van Jones inlichtingen mochten verzamelen over vrouwen die overheidsfuncties hadden bekleed onder gouverneur of president Clinton en van wie kon worden aangenomen dat zij met hem een seksuele relatie hadden gehad. Jones trachtte aan te tonen dat vrouwen die aan Clintons wensen tegemoet kwamen promotie maakten terwijl haar weigering met gouverneur Clinton orale seks te bedrijven destijds haar carrière zou hebben vernietigd.

De zaak Jones was er een uit vele. Wetgeving tot het tegengaan van ongewenste seksuele intimiteiten op de werkvloer, zeker die met een hiërarchische toonzetting, heeft in Amerika een nog steeds toenemende vloed van civiele schadevergoedingszaken ontketend. De getuigenis voor de Senaat van Anita Hill in 1991 tegen beoogd Opperrechter Clarence Thomas was gebaseerd op het verwijt dat Thomas haar herhaaldelijk had benaderd met ongepaste verhalen vol onsmakelijke seksuele details en toespelingen. Dat was gebeurd toen zij beiden werkzaam waren voor een instelling die moest waken tegen discriminatie op de werkvloer.

Linda Tripp, voormalig employee in het Witte Huis en voor Lewinsky een oudere vriendin aan wie zij het verloop en de intensiteit van haar seksuele relaties met de president met enige trots had toevertrouwd, besloot Jones te hulp te komen. Op haar beurt gaf zij Lewinsky's verhaal door aan de advocaten van Jones, een verhaal dat ondersteuning vond in bandopnamen die Tripp heimelijk van haar gesprekken met Lewinsky had gemaakt. Het gevolg was dat Lewinsky en Clinton werden gedagvaard om getuigenis af te leggen over hun onderlinge betrekkingen. Beiden ontkenden onder ede dat die betrekkingen van een aard waren geweest zoals de advocaten van Jones die op last van de rechter eerder hadden omschreven. Lewinsky heeft inmiddels in ruil voor vrijwaring van strafvervolging haar getuigenis veranderd. Nog in de jaren zestig was het gebruikelijk te spreken van het keizerlijke presidentschap. Vooral de periode-Kennedy had het Witte Huis opmerkelijke intellectuele en culturele glans gegeven, de eerste jaren van de politiek ervaren en succesvolle Johnson stonden in het teken van presidentiële oppermacht. Maar het debacle in Vietnam veroorzaakte een scheuring in de Amerikaanse samenleving en aan Johnsons presidentschap kwam een abrupt einde. Watergate voltooide de neergang van een glorieus instituut waaraan namen als Washington, Lincoln en de beide Roosevelts historische betekenis hadden gegeven. Met aanneming van de War Powers Act, die een aanslag betekende op de prerogatieven van de president als opperbevelhebber, nam het Congres wraak voor de heimelijkheid waarmee opeenvolgende presidenten het land het Indochinese moeras in hadden gestuurd.

De geschiedenis is geen rechte lijn omhoog of omlaag. Maar zonder Vietnam en zonder Watergate zou impeachment een minder vanzelfsprekende optie zijn geweest dan het nu lijkt te zijn. Zoals Vietnam tot de War Powers Act leidde, kwam uit Watergate de wetgeving voort over de onafhankelijke aanklager. Presidenten zijn niet langer praktisch onkwetsbaar. Dat bleek toen het Opperste Gerechtshof, met voorbijgaan van presidentiële bezwaren, besloot dat Jones haar zaak tegen Clinton nog tijdens diens presidentschap mocht aanspannen. Het bezwaar dat het staatshoofd wel iets beters had te doen dan zich klagers uit een voorbije ambtsperiode van het lijf te houden werd door de opperrechters weggewuifd.

Commentatoren schreven opgetogen dat Amerika waarlijk het land van gelijke rechten was. Dat het hoogste hof nonchalant de uitvoerende macht in gevaar had gebracht, bleef een tijdlang onopgemerkt. De persoon Clinton en de president Clinton bleken in de praktijk niet van elkaar te scheiden. Rechter Wright en aanklager Starr hebben later het sloopwerk van de opperrechters afgemaakt. Starr deed dat met steun van minister van Justitie Reno en drie federale rechters die hem gezamenlijk machtigden zijn onderzoek met de zaak-Lewinsky uit te breiden. Vanaf het begin van zijn politieke loopbaan is Clinton belaagd door extreem rechts. De oorsprong van de samenzwering, zoals de Clintons die zelf hebben gekarakteriseerd, ligt in Arkansas, maar sinds Clinton het Witte Huis betrok heeft de oppositie zich uitgebreid met een landelijke christelijk-fundamentalistische beweging die zich heftig verzet tegen homorechten, vrije abortus en euthanasie. Kort na zijn aantreden liep de jonge president op tegen het verzet van de generaals tegen erkenning van homorechten binnen de strijdkrachten. Clintons buitenlandse en handelspolitiek wordt steevast door het Congres afhankelijk gemaakt van amendementen waarin het verbod op geboortebeperking en drugs tot een kernpunt van internationale verdragen en overeenkomsten wordt gemaakt.

In zijn boek Blood Sport beschrijft James B. Stewart hoe de beweging Citizens United van Floyd Brown en Judge Jim Johnson er op uit is geweest om, met gebruikmaking van alle middelen, en nu dus met succes, de Clintons zwart te maken. Johnson, voormalig Opperrechter van de staat Arkansas, een Democraat die Republikein werd, noemde Clinton in 1993 in een speech voor de Conservative Political Action Conference in Washington een homovriendje, een hoerenlopende echtbreker, een baby-moordenaar, een ontduiker van de dienstplicht, een gedoger van drugs en een leugenachtige, verraderlijke activist met twee gezichten. Johnson en Brown waren de voornaamste verspreiders van de verhalen over Clintons ontwijking van de dienstplicht in de Vietnam-tijd, over de betrokkenheid van de Clintons bij het Whitewater-landspeculatieschandaal (waarvoor Starr geen bewijs heeft gevonden) en tal van gemene roddels gericht tegen het presidentiële echtpaar. Aanvankelijk hadden verslaggevers die achter de verhalen over Whitewater, Paula Jones en de Arkansas State Police (Clintons lijfwachten zouden de gouverneur van vrouwen hebben voorzien) aangingen, moeite hun reportages in gerenommeerde kranten als de New York Times en de Washington Post gepubliceerd te krijgen. Maar in 1994 was het opeens raak. Stromen verslaggevers stortten zich op het landelijke Arkansas. De doorbraak kwam in januari van dit jaar met de Lewinsky-zaak. Maandenlang hebben de Amerikaanse media sindsdien en zonder onderscheid het presidentiële libido als het belangrijkste wereldnieuws naar voren geschoven. Niemand heeft gewacht op het Starr-rapport - om maar niet de laatste te zijn bij het publiek maken van de wellustigste details. Aan lekkages uit het Starr-kamp was intussen geen gebrek. Na de publicatie van het rapport kon dan ook met recht worden vastgesteld dat er geen verrassingen in stonden.

Wat verslaggevers als Woodward en Bernstein in de tijd van Watergate waren begonnen - vasthoudend journalistiek onderzoek dat niet terugdeinst voor het hoogste gezag om feiten te achterhalen die het waard zijn publiek te worden gemaakt - is ontaard in een perverse race om het smerigste verhaal. Starr heeft vastgelegd op welke dag, op welk uur, in welk deel van het Witte Huis Clintons hand of mond zich over welk deel van Lewinsky's lichaam bewoog - en vice versa. Uiteindelijk heeft hij vastgesteld dat de president er moeite mee had om te praten over datgene waarover men gemeenlijk zijn mond houdt.

De politici mogen zich nu bezinnen op 'hoe verder?', de rechters op wat zij hebben aangericht, de media op hun normen. De Clinton-haters zijn onverbeterlijk. En het volk in wiens naam dit allemaal is gebeurd?