VECHTEN IN DE BELEIDSORKAAN; Steeds meer juridische conflicten teisteren onderwijsland

Slechte kwaliteit van wetgeving èn een nieuw elan onder onderwijsmanagers van mammoet-scholen leiden tot sterk groeiende onderwijsrechts- praktijken.

ADVOCAAT W. Pors staat midden in een betoog op. “Ik zal het je laten zien” zegt hij. Hij loopt naar een ferme dossierkast en pakt een cahier vol met edities van het blad Uitleg, het officiële publicatieblad van het Ministerie van onderwijs. “Eerst krijg je een reeks opwekkende verhalen voorgeschoteld over hoe goed het allemaal gaat, maar dan komen de beruchte gele katernen. Dat zijn de regelingen en besluiten. Als ik een zaak krijg, moet ik me te pletter zoeken naar de regelingen die van toepassing zijn.”

Niet alleen de hoge kwantiteit is een kenmerk van de wetgeving uit Zoetermeer, aldus de advocaat, ook de lage kwaliteit is dat. Pors: “Ik ben op vele rechtsgebieden actief, maar nergens tref je slechtere wetgeving aan dan die uit Zoetermeer. De reden hiervan zal niemand verbazen: er wordt onvoldoende tijd genomen. Dat komt omdat onderwijswetgeving altijd snel moet worden geïmplementeerd op basis van politieke beleidskeuzes.”

Het kantoor van Pors, Buruma & Maris ligt in het dichte lommer van de Scheveningse bosjes in Den Haag. Op een steenworp afstand ligt, in een sfeervolle villa uit de koloniale tijd, het kantoor Petten, Tideman & Sassen.

W. Pors en H. Petten behoren tot een klein groepje van zo'n vijf advocaten dat zich vooral bezighoudt met het 'onderwijsrecht': een verzamelwoord voor geschillen waarbij onderwijsinstellingen betrokken zijn. Belangrijke terreinen in het onderwijsrecht zijn het 'schoolrecht' (financiering, huur van gebouwen, allochtonenbeleid, personeelsbeleid), de rechtspositie van werknemers en het medezeggenschapsrecht dat thans zeer actueel is vanwege de recente invoering van de MUB-wet (Modernisering Universitaire Bestuursstructuur).

Hoeveel geld er omgaat in het onderwijsrecht is niet vast te stellen. Duidelijk is wel dat het aantal zaken enorm stijgt. Pors: “De omzet op kantoor uit onderwijszaken is in bijna drie jaar tijd verdubbeld. En hij blijft maar groeien.” Een belangrijke oorzaak van het ontstaan van dit relatief nieuwe rechtsgebied is naast de deplorabele kwaliteit van de wetgeving die tal van procedures uitlokt, ook een 'nieuw elan' onder schoolleiders en onderwijs-managers.

MANAGERS

Pors: “In het hele onderwijs, met name in het HBO, zie je een enorme schaalvergroting. De leiding van dergelijke moderne onderwijsmammoets komt in handen van professionele managers die zich gedragen als machtige ondernemers. Dat zijn ze in feite ook. De omvang van hun organisatie geeft hun macht en zelfvertrouwen. Zo schromen ze niet om dure organisatie-adviseurs binnen te halen en al helemaal niet om een advocaat in te huren als ze ergens winst denken te kunnen halen.”

De toenemende procedure-geneigdheid vertaalt zich vooral in bezwaarschriften tegen departementale beleidsbeslissingen. Dat aantal was in 1997 (eerdere cijfers zijn niet beschikbaar) 1376. Over de eerste zes maanden van 1998 waren het er al 790. Als voorbeeld van moderne onderwijsmammoets waar dit 'nieuwe elan' sterk aanwezig is noemt Pors de ROC's, de Regionale Onderwijs Centra voor MBO en volwasseneneducatie waar al gauw 1.000 docenten les geven aan 10.000 studenten. ROC's worden geleid door een modern en weerbaar College van Bestuur. Pors: “Ik heb onlangs voor zo'n ROC een interessante procedure afgesloten over hun gebouw. Dat was na tal van jaren afgeschreven. Het College vroeg het ministerie, eigenaar van het gebouw, om buitengebruikstelling. Normaal gesproken komt zo'n gebouw dan terecht bij Rijksdomeinen. Het ministerie had drie maanden om een beslissing te nemen, maar deed niets. Het gebouw bleef dus in het bezit van Ritzen. Wat gebeurde er vervolgens per 1997? Er kwam een wet die zei: het ministerie draagt alle gebouwen over aan de onderwijsinstellingen tegen een zogeheten 'vereveningsbijdrage'. Het ROC kreeg van Ritzen 950.000 gulden in rekening gebracht voor een doorgerot noodgebouw waar het bovendien al lange tijd van af probeerde te komen. Dit bedrag was absurd, maar in dit conflict hebben we alles ingezet op de nalatigheid van het ministerie. Onder dreiging van een kort geding heeft de minister de zaak teruggedraaid: het gebouw gaat alsnog naar Rijksdomeinen en het ROC kan een miljoen gulden in de zak houden.”

De reeds genoemde MUB (“typisch weer zo'n slechte wet”) leidt in den lande tot tal van procedures. Pors voert er thans twee, waarvan een voor de universiteitsraad van de Universiteit Twente. Pors: “Alle universiteiten hadden in maart een beslissing moeten nemen over hun nieuwe medezeggenschapsstructuur. Het College in Twente koos voor een Ondernemingsraad plus Studentenraad, maar de oude U-raad vecht deze beslissing aan. Dergelijke geschillen moeten volgens de MUB door een geschillencommissie moeten worden behandeld, maar die is er nog niet. Dus nu is er een tijdelijke commissie, waarvan het zeer de vraag was of die bevoegd is. De rechtbank in Almelo besloot na overleg met Zoetermeer de zaak voor te leggen aan die tijdelijke geschillencommissie. Die heeft zich vervolgens bevoegd verklaard en ons bezwaar verworpen. Voor het hoger beroep zijn we nu weer terug in Almelo bij de rechtbank.”

Volgens Pors is de MUB 'veel te snel opgeschreven' en zal de wet in de toekomst tot tal van conflicten leiden die via de geschillencommissie terecht zullen komen bij 's lands rechtbanken. Pors: “Zoetermeer kan nooit zeggen dat ze niet zijn gewaarschuwd, want tal van professoren hebben op congressen gewezen op de gevaarlijke gaten in de MUB.”

Een nog duidelijker voorbeeld van contra-productieve regelgeving is de 'rddf-problematiek'. Pors: “De afkorting staat voor risico dragend deel van de formatie. Scholen die leerlingen verliezen moeten inkrimpen. Maar als je een docent wilt ontslaan, moet je hem of haar een jaar daarvoor op de rddf-lijst plaatsen. Dat is dus een soort niemandsland tussen werk en werkloosheid in. Duizenden docenten hebben een brief gekregen van het schoolbestuur dat ze op de rddf-lijst zijn geplaatst. De gedachte hierachter is het bieden van rechtszekerheid, maar het effect is desastreus. Wat doen schoolbesturen? Ze kunnen de leerlingen-instroom nooit precies schatten en spelen op zeker door ervan uit te gaan dat de instroon tegenvalt en ze bijvoorbeeld zes docenten moeten ontslaan. Al die zes krijgen dus de gewraakte rddf-brief. Die zes gaan hiertegen stante pede in beroep, want ze weten dat als directe actie uitblijft de mogelijkheid tot verweer tegen het ontslag zelf vervalt. Er komt dus een hausse aan zaken. De sfeer op al die scholen verziekt. En wat blijkt dan? De leerlingen-instroom valt best mee: er hoeven maar twee docenten weg. Er zijn vier overbodige zaken gevoerd.”

Om zijn verhaal kracht bij te zetten pakt Pors een dik dossier. Het gaat om een school waar 26,5 fte's (36 werknemers) op de rddf-lijst zijn geplaatst. Pors: “Er kwam een reddingsplan en het leek erop dat er maar 10 mensen weg zouden moeten, maar de school speelde 'op safe'. Alle 20 docenten gingen procederen. Uiteindelijk moesten er zes mensen weg. Veertien volstrekt onnodige rechtsgangen! Het is Kafka: falende regelgeving creëert conflicten waar ze niet zijn en verziekt de sfeer.”

De inmiddels beroemde zaak die de ouders van een leerling voerden tegen een Amsterdamse Montessori-school (de school werd recentelijk verantwoordelijk gesteld voor kwalitatief ontoereikend onderwijs) zal volgens Pors echter niet leiden tot een hausse. Pors: “Procederen over kwaliteit is erg lastig qua bewijs. Je moet bijna wel iets concreets in handen hebben, zoals een rapport van een visitatie-commissie die een studierichting afkraakt. Er is een beroemde zaak uit de jaren tachtig waarin ouders tegen een lagere school gingen procederen omdat hun kind in de vierde klas ten onrechte zou zijn blijven zitten. Dat ging zelfs zo ver dat ze compensatie vorderden voor het feit dat hun kind een jaar later op de arbeidsmarkt kwam en een heel jaarsalaris moest missen. De zaak is tot het Hof gegaan, maar dat achtte geen schadegrond aanwezig.”

OV-KAART

Een van Pors' cliënten is de LSVb, de Landelijke Studenten Vakbond. Pors toetst voor de LSVb tal van beleidsvoornemens. Op dit moment buigt hij zich over de rechtmatigheid van de nieuwe bezuinigingen op de OV-jaarkaart die erop neerkomen dat studenten die hun studiebeurs verliezen wegens gebrek aan resultaten ook hun kaart moeten terugbetalen. Pors: “Kern van ons verweer is de 'cohort-benadering'. Die leert dat een student ervan dient te kunnen uitgaan, dat de tijdens zijn studietijd vigerende wetten blijven gelden. Dit heeft te maken met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze nieuwste bezuinigingen zijn volgens mijn cliënt strijdig met die beginselen.”