Tekenen van taalverlies; TURKSE JONGEREN IN NEDERLAND KOESTEREN HUN TAAL MEER DAN MAROKKAANSE JEUGD

De Marokkaanse jeugd spreekt onder elkaar steeds meer Nederlands en hun Marokkaans is onderhevig aan een lichte vorm van erosie. Volgens de Tilburgse taalwetenschapper Abderrahman El Aissati is dat het begin van taalverlies.

MINDERHEIDSTALEN eroderen en sterven af. Uit onderzoek onder immigranten in de VS, Australië en Frankrijk blijkt dat dit proces zich binnen drie of hooguit vier generaties voltrekt. In Nederland heeft de taalonderzoeker Abderrahman El Aissati het Marokkaans - officieel: het Marokkaans-Arabisch - onder de loep genomen. Ook hier blijkt sprake te zijn van erosie. Niet alleen sluipen er allerlei Nederlandse woorden in de alledaagse Marokkaanse gesprekken, ook in de diepere, intieme structuur van de taal laat het Nederlands zijn subtiele invloed gelden.

De huidige tweetaligheid onder Marokkanen is niet meer dan een tussenstation naar een toekomstige eentaligheid. Zoals de eerste generatie Marokkaans spreekt met daarin wat Nederlandse woorden - zoals burthaws, kinderbayslax en fakansi - zo zal de derde of vierde generatie alleen nog Nederlands spreken met een paar Marokkaanse woorden.

El Aissati heeft een momentopname gemaakt van deze verschuiving. Hij onderzocht het Marokkaans van Nederlandse Marokkanen in de leeftijd van 13 tot 17 jaar. Hij keek wanneer ze Marokkaans spraken, wanneer Nederlands en wanneer beide talen door elkaar. Hem bleek dat het Nederlands in het Marokkaanse gezin al veel dieper was binnengedrongen dan vaak wordt aangenomen. Broers en zussen gebruiken onder elkaar nu al meer Nederlands dan Marokkaans. En hoe jonger de broer of zus met wie gepraat wordt, hoe groter de kans dat dit in het Nederlands gebeurt.

El Aissati keek ook naar de grammatica van het Marokkaans dat de jonge Marokkanen spraken en ontdekte een aantal subtiele veranderingen. Zo bleek de Marokkaanse jeugd moeite te hebben met de meervouden van het Marokkaans, die berucht zijn vanwege hun onregelmatigheid: waar het Nederlands maar twee soorten meervouden kent - eindigend op '-en' '-s' - heeft het Marokkaans er veertig. Dat betekent dat je van ieder woord afzonderlijk moet weten hoe het meervoud gevormd wordt. Plak je er een uitgang achter? Welke uitgang? Of verander je de klinker van het woord? Of doe je allebei?

Een voorbeeld. Het meervoud van 'kelb' ('hond') is in Marokko, afhankelijk van de streek, 'klab' of 'kluba'. Maar in Nederland hoor je andere vormen, zoals 'kelbin' en 'kelba'. De Nederlandse Marokkanen kenden de juiste vorm niet meer en maakten dus zelf maar een meervoud door er een van de twee meest gebruikte uitgangen - '-in' en '-a' - achter te plakken. Als ze in Marokko op vakantie zijn en die vorm daar ook gebruiken, zullen ze daar ongetwijfeld in de lach schieten. Ze zullen misschien zeggen: “Hij spreekt het Nederlandse dialect.”

Maar in één ding zijn de Marokkaanse jongens en meisjes in Nederland, vreemd genoeg, beter dan hun leeftijdgenoten in Marokko. Ze kunnen beter overweg met bijvoeglijke bijzinnen. Deze bijzinnen, ook relatiefzinnen genoemd, worden in de Arabische talen weinig gebruikt, want die talen kennen andere manieren om zinnen met elkaar te verbinden. De relatiefzinnen worden gezien als moeilijke constructies en worden daarom zoveel mogelijk vermeden. Maar in het Nederlands zijn relatiefzinnen heel gewoon en de Marokkanen die hier wonen hebben er daarom ook in het Marokkaans minder moeite mee.

WOORDVOLGORDE

Verder bleek - de meest verrassende uitkomst van het onderzoek - dat de Nederlandse Marokkanen bij het interpreteren van zinnen op een andere manier te werk gaan dan hun leeftijdsgenoten in Marokko. Ze kijken meer naar de woordvolgorde, wat een 'Nederlands' trekje is. Neem bijvoorbeeld de Nederlandse zin 'Moeder kijkt televisie'. Iemand die het Nederlands beheerst begrijpt meteen dat 'moeder' het onderwerp is, want hij weet, onbewust, dat de zin met het onderwerp begint. Maar in de Marokkaanse vertaling van deze zin kan 'moeder' evengoed middenin of achterin staan. Kijken naar de woordvolgorde heeft dus weinig zin. Dat 'moeder' onderwerp is, ziet de Marokkaan ergens anders aan: 'moeder' is het enige levende wezen in de zin, de enige die kan 'kijken'.

Uit het onderzoek van El Aissati bleek dat de Marokkaanse jeugd in Nederland zich bij het interpreteren van Marokkaanse zinnen meer laat leiden door de woordvolgorde dan in het eigen land gebruikelijk is. Ze bekijken het Marokkaans dus een beetje 'op een Nederlandse manier'. El Aissati is ervan overtuigd dat deze subtiele verschuivingen het begin zijn van taalverlies. “Dat het Marokkaans in Nederland verloren gaat, is een kwestie van common sense”, zegt hij. “Wie naar de tweede generatie luistert, hoort dat ze nu al vaker Nederlands spreken dan Marokkaans. Zelfs binnen het gezin. Het is niet waarschijnlijk dat ze later, als ze zelf een gezin hebben, tegen hun kinderen opeens weer vaker Marokkaans gaan praten.”

Het onderzoek naar het Marokkaans in Nederland maakte deel uit van een groter project, waarin ook het Turks onder de loep genomen werd, door taalonderzoekster Anneli Schaufeli. Maar in het Turks van de jongere generatie Turken kon nog geen erosie getraceerd worden. Schaufeli heeft daar wel een verklaring voor. “Het Turks is een ontzettend regelmatige taal. Een regel is een regel. Die geldt altijd, er zijn geen uitzonderingen op. Dingen als onregelmatige verleden tijden of onregelmatige meervouden, die heb je niet in het Turks. Het is dus een heel robuuste taal.”

Bovendien is de afstand tussen het gesproken Turks en het officiële, geschreven Turks niet overdreven groot. De taalsituatie in de Marokkaanse gemeenschap daarentegen is nogal chaotisch. De Marokkanen hebben drie talen naar Nederland meegenomen: ze spreken Marokkaans of Berbers of allebei, en als ze in het Arabisch kunnen schrijven doen ze dat in het Standaard-Arabisch, dat tamelijk veel afwijkt van het Marokkaans en vrijwel niets te maken heeft met het Berbers. Daar is in Nederland het Nederlands als vierde taal bij gekomen. Het Marokkaans moet dus concurreren met drie talen en dat maakt de taal extra kwetsbaar.

Een ander verschil tussen Marokkanen en Turken, aldus Schaufeli, “is dat Marokkanen met de kleintjes in het gezin meestal Nederlands praten. In de Turkse gezinnen gebeurt dat nog in het Turks. Dat is een interessant gegeven. Jonge Turkse kinderen groeien blijkbaar op in een heel Turkstalig gezin. De Turken zijn wat nationalistischer en wat trotser op hun taal. Marokkanen beschouwen hun taal als een soort dialect. Het wordt niet geschreven, het heeft geen status, ook niet binnen de groep. Ze gaan dus heel anders om met hun taal. Er wordt in de Marokkaanse gezinnen nu al meer Nederlands gesproken en de kinderen pikken dat ook meer op.”

EUROPESE CULTUUR

De druk op het Marokkaans en op het Berbers is erg groot, zegt El Aissati. “Je voelt die druk iedere dag. In Nederland mag iedereen zijn eigen identiteit behouden, maar er heerst tegelijkertijd, zoals in heel West-Europa, een enorm gevoel van superioriteit. Europa beschouwt zichzelf als de hoogste beschaving, de hoogste cultuur. Dat werkt door in de taal. Zodra een Marokkaan zich gaat identificeren met de Europese cultuur, wil hij ook de taal van die cultuur spreken. Dat kan ten koste gaan van zijn eigen taal.”

Schaufeli vond in haar onderzoek nog een ander interessant verschijnsel. “Turkse kinderen praten met hun moeder méér Nederlands dan met hun vader. Op het eerste gezicht is dat vreemd: je zou het omgekeerde verwachten. De moeders spreken meestal minder goed Nederlands dan de vaders, omdat ze minder in contact komen met de buitenwereld. Misschien is de verklaring dat de ouders graag willen dat hun kinderen Turks met ze praten. En misschien is het gezag van vader iets groter en doen de kinderen bij hem meer hun best. Maar bij moeder, ach, die accepteert de kinderen misschien meer zoals ze zijn.”