Sector bepaalt meer dan vroeger; Algemene index: de sfeer van huwelijk en begrafenis op dezelfde dag

De manier waarop een aandeel zich 'houdt', blijkt, anders dan vorig jaar, samen te hangen met de sector ofwel de bedrijftak waarin die onderneming opereert.

Elke dip, minikrach, baisse, of hoe je een periode van plotseling dalende koersen ook maar wilt noemen, blijkt weer nieuwe verrassingen op te leveren. Toen in juli vorig jaar de zogenoemde campinghausse abrupt stopte toen de eerste symptomen zichtbaar werden van wat inmiddels de Azië-crisis heet, reageerden beleggers door aandelen van kleine en middelgrote bedrijven te verkopen, en grote namen - blue chips - te kopen. 'Een vlucht in kwaliteit' heette deze in feite onlogische verschuiving in de portefeuilles. Want weliswaar zijn grote fondsen beter verhandelbaar en geeft de wereldwijde spreiding van activiteiten enige stabiliteit, maar de gevoeligheid voor 'Azië' van kleinere beursgenoteerde bedrijven is in het algemeen juist minder, simpelweg omdat hun werkgebied veelal tot de Europese markten beperkt is.

Wie daarna dacht een willekeurige greep te kunnen doen uit enkele van de grootste Nederlandse beursfondsen - bijvoorbeeld Koninklijke Olie, Unilever, ING, Aegon ABN Amro en Philips - en rustig het einde van de twintigste eeuw te kunnen afwachten, kwam in de loop van dit jaar al flink bedrogen uit. Zwaargewicht Koninklijke bleef niet alleen flink achter bij het beurgemiddelde, maar verloor zelfs 16 procent; Unilever en ING staan dit jaar tot nu toe 2 respectievelijk 20 procent in de plus, en ABN Amro en Philips verloren en staan nu op respectievelijk - 9 en - 4 procent. Alleen Aegon presteerde uitzonderlijk goed met een koerstijging van 80 procent sinds ultimo 1997. Met andere woorden: de manier waarop een aandeel zich onder de huidige omstandigheden 'houdt', blijkt, anders dan vorig jaar, samen te hangen met de sector ofwel de bedrijftak waarin die onderneming opereert.

Het is jammer dat de tien verschillende sectorindices die het CBS berekent, zo weinig aandacht krijgen, want door ze elk apart te bekijken, wordt ineens duidelijk hoezeer een algemene index als de CBS-All Share, maar ook de AEX een dik touw is dat gevlochten wordt van vezels die noch qua kleur nog qua trekkracht op elkaar lijken. De tien indices bieden zicht op de uiteenlopende manier waarop sectoren reageren op actuele ontwikkelingen, maar ook tonen ze het gat in langjarige koersperformance dat gaapt tussen bijvoorbeeld de kapitaalgoederenindustrie (met name Philips) en dienstverleners (de grote uitgevers Elsevier, VNU, Wolters Kluwer en Baan en Randstad).

Wie in 1983 honderd gulden in de industrie belegde, zou nu een kleine driehonderd gulden bezitten; in de dienstensector zou dat bedrag inmiddels tot negentienhonderd gulden zijn aangegroeid. Zelfs binnen de schijnbaar homogene groep van de 'financials' - banken en verzekeraars - zijn de verschillen zeer opmerkelijk. In vijftien jaar hebben levensverzekeraars ruim 130 procent meer rendement opgeleverd dan banken.

De verschillen op lange termijn zijn goeddeels terug te voeren op het groeipotentieel van de diverse sectoren en hun mogelijkheid om winstmarges te beschermen. De koersgevoeligheid op korte termijn heeft veel meer te maken met de conjuncturele ontwikkeling en de specifieke risico's waaraan de verschillende sectoren zijn blootgesteld.

Veruit het meest gevoelig is de kapitaalgoederenindustrie. In de eerste negen maanden van 1997 loopt de index daar op van 208 naar 416. Een verdubbeling die te maken had met het plotselinge herstel van Philips (dat ruim de helft van deze index uitmaakt) maar ook met de zeer hoge verwachtingen van de wereldwijde economische groei. Echter zodra de problemen in Azië gaan spelen, kalven de koersen snel af zodat de index eind december nog maar amper boven de driehonderd punten uitkomt. Vervolgens ontstaat in de eerste helft van dit jaar het gevoel dat de problemen in het Verre Oosten overwaaien, en de index kan weer met bijna 45 procent oplopen tot 440 punten per eind mei. Maar als in de loop van de zomer duidelijk wordt dat dat een vergissing was, waarderen beleggers de kapitaalgoederenindustrie meteen weer af naar het niveau van december.

Hoe anders vergaat het dan de levensverzekeraars. Deze bedrijfstak toont zich in hoge mate ongevoelig voor de problemen op de 'werkvloer' van de wereldeconomie. Beleggers zoeken en vinden bij verzekeraars een hoge, en bovendien relatief voorspelbare groei in de winst per aandeel, en zoeken er beschutting wanneer het elders guur is. De grafiek laat in september weliswaar een scherpe knik zien, maar de daling staat voor 'slechts' 17 procent, minder dan de afwaardering van de banken met 18 procent, en veel minder dan de 26 procent die de kapitaalgoederenindustrie in die maand inlevert. Alleen de sector van de niet-financiële dienstverleners toont zich met min 11 procent nog stoïcijnser. Ook voor uitgevers en softwarebouwers gaat de redenering op dat hun winstgroei niet veel door een afkoelende conjunctuur geremd hoeft te worden. De sector is zichtbaar minder stabiel dan de verzekeraars, die over de eerste acht maanden van 1998 liefst 60 procent duurder werden, maar doen het met een plus van 24 procent bovengemiddeld.

De ontwikkeling in de bankensector (voor zo'n 80 procent ABN Amro, de rest zijn kleinere banken zoals de NIB en Kempen & Co) laat het verschil met de verzekeraars zien. De branche heeft over bijna de hele periode vanaf begin 1997 geprofiteerd van geweldig toegenomen inkomsten uit de effectenhandel, maar beleggers stoten hun stukken ook snel weer af als ze denken dat de gouden beursdagen spoedig geteld zullen zijn. Daar komt de onzekerheid bij over de omvang van de tegenvallers bij ABN Amro in Azië, Oost-Europa en Latijns Amerika. Als in de periode dat de zorg daarover groeide, de rente niet pijlsnel was gedaald, zou de bancaire sector nog veel zwaarder getroffen zijn.

Een algemene index zegt soms net zoveel over de 'stemming' op de beurs als de gemiddelde sfeer bij een bruiloft en begrafenis die op dezelfde dag plaatsvinden.