Robots 1

SINDS EVA in de hof van Eden van een vreemde een versnapering aannam, moeten wij ons brood in het zweet ons aanschijns verdienen. Maar hoewel Adam zijn eega die zwakte kennelijk grootmoedig vergaf, hebben we ons met al dat gewerk toch nooit kunnen verzoenen. Er is altijd heel veel creativiteit en werk gestoken in pogingen om dat paradijselijke 'dolce far niente', dat zalig nietsdoen dat aan onze neus voorbijging, alsnog zo goed mogelijk te benaderen.

Wie rijk was had altijd een simpele oplossing: personeel. Het is een oplossing met gebreken. Niet voor niets luidt een oude joodse verwensing 'ik wens u veel personeel'. Het dichtst bij het ideaal kwamen nog de Engelsen, die na eeuwen van schaven de butler uitvonden, de bijna onzichtbare huisknecht die alle wensen en behoeften van zijn werkgever discreet en effici‰nt voorkomt. Wie minder te besteden had, kon slechts dromen. En die mensen vonden de robot uit.

In essentie is een robot de overtreffende trap van de butler. Eentje die doordat hij kunstmatig is geen last heeft van tekortkomingen als vermoeidheid, vergeetachtigheid of vakantiedagen. Maar er kleefden aan de robot twee problemen: tot voor kort bestonden ze alleen in de fantasie, en op de een of andere manier zijn ze eng. In alle verhalen over robots, van de alleroudste via Marten Toonders 'Tom Poes en de Klonters' tot de nieuwste SF-romans, keren de kunstmatige gedienstigen zich onvermijdelijk tegen hun meesters van vlees en bloed, met vaak vreselijke gevolgen.

De allereerste robot was zelf bewust bedoeld om kwaad te doen. Dat was, zoals de Griekse schrijver Hesiodus 2500 jaar geleden optekende, Pandora. Pandora was in de Griekse mythologie de eerste vrouw. Ze werd, nadat Prometheus op de Olympus het vuur gestolen had en aan de mensen gegeven, uit wraakzuchtigheid in opdracht van Zeus door een team van goden geboetseerd en aangekleed, en als een soort tijdbom naar de mensen gestuurd. Pandora zag er verleidelijk uit en was zoetgevooisd en charmant, zodat de mensen haar zonder argwaan zouden accepteren. Maar ze had, zoals het een robot betaamt, geen hart. Wel was ze voorzien van een dodelijke 'payload', een doos waarin alle ziekten en plagen zaten opgesloten die wij mensen nu kennen. Ook was er een tijdontsteking ingebouwd, haar nieuwsgierigheid. Alvorens haar naar beneden te sturen zette Zeus zijn creatie persoonlijk op scherp door haar te verbieden ooit de geheimzinnige doos te openen. Het eind van het liedje is bekend: Pandora werkte perfect.

Gewoonlijk laat men de geschiedenis van de robot pas veel later beginnen, in 1921, met het toneelstuk R.U.R. (Rossums Universele Robots) van de Tsjechische schrijver Karel Capek. Dat stuk gaat inderdaad over kunstmatige arbeiders die uiteindelijk tegen hun slavernij rebelleren en de macht overnemen. Maar Capeks stuk is eerder een sociale allegorie dan een goede illustratie van het wezen van robots en onze diepgewortelde angst ervoor. Het is dan ook vooral van belang omdat Capek zijn machinale arbeiders de naam gaf waaronder we nu al hun soortgenoten kennen: 'robot'. Het is een toepasselijke afleiding van de Tsjechische term 'robota', die in feodale tijden stond voor de herendiensten die gewone Tsjechen verplicht waren aan hun landheren te verlenen, en die later 'saai, geestdodend werk' was gaan betekenen. Voor de meest inzichtgevende karakterisering van het begrip robot moeten we bij het trio Goethe-Dukas-Disney zijn. Goethe legde de basis met zijn gedicht 'Der Zauberlehrling', de Franse componist Paul Dukas maakte daar in 1897 een muzikale interpretatie van. Ten slotte bracht Walt Disney die muziek weer onovertroffen in beeld in 'Fantasia' uit 1940, nog geen tien jaar voor de geboorte van de computer, het apparaat dat de eerste echt bestaande robots mogelijk zou maken.

Wie ooit 'Fantasia' zag herinnert zich Mickey Mouse als leerling tovenaar, die, terwijl zijn meester voor zaken op stap is, het huis aan kant moet maken. De leerling is niet gek maar wel lui, en bedenkt dat met wat toverkracht de bezem, de dweil en de emmer het werk ook zelf wel af kunnen. Hij opent, tegen het uitdrukkelijk gebod van de tovenaar in, het toverboek, en simsalabimt de bezem tot robot. De bezem werkt effici‰nt en gehoorzaam, maar weet niet van ophouden, zodat het dweilwerk al gauw in een waterballet ontaardt. De leerling kan uiteraard geen spreuk vinden om het monster dat hij maakte te stoppen, en ten einde raad probeert hij de dreigende watersnood met grove middelen te keren. Met een bijl hakt hij de bezielde bezem aan stukken. Maar dat maakt het alleen maar erger, elke bezemsplinter groeit onmiddellijk uit tot een nieuwe robot, die nijver zijn bijdrage aan de catastrofe begint te leveren. Pas de thuiskomst van de tovenaar zelfs brengt soelaas. Met een krachtig 'abracadabra' is de bezem weer een bezem, en het huis schoon.

Dit verhaal laat precies zien wat de kenmerkende eigenschappen van een robot zijn. Echte robots hebben specifieke taken, die zij zelfstandig en op eigen initiatief moeten uitvoeren. Perfect, effici‰nt en zonder morren. Eventueel kan een robot zich ook nog delen of voortplanten, maar meer ook niet. Het is de volmaakte maar willoze dienaar. Een robot is dus uitdrukkelijk geen kunstmatige mens, zoals Mary Shelly's Monster van Frankenstein. Perfecte menselijkheid, met gevoelens en wil, verdraagt zich immers niet met volmaakte doelmatigheid en absolute gehoorzaamheid. Maar de tovenaarsleerling laat ook precies zien dat onze angst voor robots hem in precies die onmenselijke eigenschappen zit. In de willoze perfectie, de absolute rechtlijnigheid. Wij mensen zijn niet zo, en geven dus geen complete, rechtlijnige instructies. De wereld is ook niet zo, maar is net als wij diffuus en veranderlijk. Daardoor moet zo'n rechtlijnige robot wel haast ontsporen, en zich misschien zelfs tegen ons richten.

Inmiddels bestaan er voor het eerst in de geschiedenis echte robots, binnen de perfecte, beperkte en rechtlijnige siliciumwereld van de computer. En gek genoeg worden zelfs daar alle oude angsten heel letterlijk waar. De robot, die het gemak moet dienen, blijkt zelfs met de grootst mogelijke moeite nauwelijks in de hand te houden.