Prado hangt meesters tegen goudbehang; Zalen Hollanders vernieuwd

MADRID, 12 SEPT. Met veel feestgedruis en in de aanwezigheid van de Spaanse premier Aznar en minister van Cultuur Esperanze Aguirre werden deze week twaalf vernieuwde zalen geopend van het Madrileense Prado-museum, waarin de Vlaamse en Hollandse meesters zijn ondergebracht. De nieuwe zalen maken deel uit van de herinrichting van het Prado, een zaak die beschouwd moet worden als “de belangrijkste uiting van de Spaanse cultuur ter wereld”, aldus de premier bij de opening. Maar onder de medewerkers van het Prado wordt gevreesd dat de manier waarop de schilderijen van Rubens, Van Dyck, Brueghel en Rembrandt zijn tentoongesteld opnieuw een deuk bezorgt in het imago van het veelgeplaagde museum.

Een rondwandeling in de zalen van het Prado maakt al snel duidelijk waarom. De vernieuwing bestaat voor het grootste deel uit een verhuizing van de Vlaamse en Hollandse meesters van de zalen op de begane grond naar de bovenverdieping. Daar zijn de effen muren van het Prado-museum voorzien van een goudkleurig behang waar een weelderig bladmotief of een streepje in is verwerkt. Geen achtergrond die bijster geschikt is en de bezoeker eerder hoofdpijn dan kijkplezier verschaft, zo luidt de kritiek.

De kostbare behangdecoratie, waar ook het Nederlandse bedrijfsleven zijn bijdrage aan leverde, maakt volgens een woordvoerder van het Prado deel uit van het algehele restauratieproject. Daarbij is het de bedoeling om het interieur aan te passen aan de “sfeer” van de periode waaruit de schilderijen afkomstig zijn. “Bovendien betreft het hier schilderijen die uit een koninklijke verzameling afkomstig zijn”, aldus de woordvoerder.

Een groot aantal schilderijen bevindt zich zichtbaar in slechte staat, compleet met scheuren en kieren. Of is, zoals De aanbidding van de drie koningen van Rubens, dermate stoffig dat de kleuren sterk vervaagd zijn. Andere doeken zijn zo hoog opgehangen dat de toeschouwer zich in vreemde bochten moet wringen om de reflectie van de schijnwerpers te vermijden.

Opmerkelijk is eveneens de keuze van een aantal landschapsschilderijtjes dat uit het depot is gehaald. Deze zijn volgens kenners niet alleen van middelmatige kwaliteit, maar worden tevens op uiterst onconventionele wijze getoond. De schilderijtjes zijn met kruisschroeven - goed zichtbaar voor de bezoeker - groepsgewijs op een soort omlijst tableau geschroefd, zodat als het ware een nieuw combinatiekunstwerk wordt gevormd.

Een van de werken die uit de kelder zijn gediept, is de enigszins vaag geschetste De ontvoering van Prosperina van Pieter Brueghel de jongere, die in de oudere catalogus van Vlaamse werken van het Prado ontbreekt. Hoewel de vernieuwde catalogus het schilderij wel aan Brueghel toeschrijft, is het werk volgens kenners eerder toe te schrijven aan een beduidend mindere schilder.

Bij nadere bestudering blijkt dat de verhuizing is benut om tientallen doeken uit de tentoonstelling te laten verdwijnen. Jachttaferelen en stillevens van Adriaenssen, Frans Snyders zijn samen met een aantal stillevens spoorloos, een groot aantal landschapsschilderingen en portretten is ook verdwenen. Volgens een woordvoerder van het Prado is het de bedoeling deze doeken opnieuw tentoon te stellen zodra het gebouw ter beschikking komt dat nu wordt gebruikt als Legermuseum. Hoewel de beslissing hiertoe inmiddels is genomen, is evenwel onduidelijk wanneer dit zijn beslag krijgt, aldus het Prado.

De opruiming voor onbepaalde tijd van een groot aantal werken en het aantrekken van de Spaanse kunstenaar Gustavo Torner als 'museum-decorateur' lijkt nieuwe stof voor interne guerilla's binnen het Prado. Eerder kampte het museum naast nijpend gebrek aan geld en ruimte met directeuren die elkaar in hoog tempo opvolgden, lekkages in het dak en een opstand onder de suppoosten.