Op Herwijnen

God”, zegt mijn vader, “hier ben ik nog nooit geweest.” Niet sinds de dijkverzwaring, bedoelt hij, en zeker niet te voet.

Nadat we de eerste veranderingen hebben besproken (asfalt en een kleine maar saillante omlegging), lopen we om te beginnen met een fijn windje en frisse witte wolken, die losjes langs de hemel drijven.

Jongens waren ze, hij en zijn broers, en nog een heel stel anderen. Ze zaten op de School met den Bijbel aan de Achterstraat. Na schooltijd ging het zwervend en ravottend langs de rivier op huis aan. Toen was dit een steenfabriekje.

De ligging van de gebouwen komt nog aardig overeen met de herinnering. Daar, die bakstenen schuur tussen de bieten- en maisvelden, dat was de machinekamer. En verdomd, deze notenboom, daar zit nog een verhaal van de Beul aan vast. Die woonde hier, die werkte hier, die is een keer uit deze boom gevallen. Op zondag. Het was nog een hele toer om hem in de Ongevallenwet te krijgen.

Voor alle duidelijkheid: de Beul was een broer van Tante. Tante was getrouwd met Atje. Tante en Atje hadden inwoning van Lin, een broer van Atje. Tante, Atje en Lin hebben mijn vader grootgebracht. Ik heb dat allemaal beschreven in Een jaar in scherven.

Nu wordt hier vee geteeld (melkkoeien) en misschien een dumphandel gedreven (legervoertuigen). Begeleid door blaffende herdershonden steken we het erf over en dan komen we aan de rivier.

“Die krib”, zegt mijn vader peinzend, “daar hadden we een naam voor.”

“De drieangelP”, zeg ik.

En dan hij weer: “Dat heb je goed onthouden, jonkie.”

De rivier, de stroom.

Filosofisch gesproken zal het best waar zijn dat iemand zich nooit een tweede maal in dezelfde rivier kan baden, dat neemt niet weg dat het in de realiteit van dit landschap juist de rivier is die de continuïteit bewaakt, die een zekere onveranderlijkheid uitademt. Zoals wij haar zien aan het eind van deze eeuw, zo hebben anderen haar gezien aan het eind van de vorige... zo breed als ze zich maakt naar het westen toe, die bocht, die verzamelplaats van ruimte en licht en schittering.

Nu lopen we over een zomerdijkje dat van al zijn luister is beroofd en aan het eind daarvan moeten we over een hek. Ik eerst. En ik draai me om, ik steek hem mijn hand toe. Maar dat kan hij zelf nog wel hoor. En toch mag ik het beleven dat mijn vader, tegen de tachtig toch, over een hek klimt. Op Herwijnen.

Opgewekt - ons kan vandaag niets gebeuren - gaan we de bandijk op, en daar heb je het huisje van Daan de Meijer, daar begon het Rot, zoals dit buurtje bekend stond, en dat eindigde bij de Steegse Stoep, het huisje van Kloontjes.

Hooguit tien minuten lopen en dan was je langs vierendertig huisjes gekomen, acht buitendijks, zesentwintig binnendijks, elk huisje in zijn eigen staat van verzakking, elk huisje met zijn eigen moestuin, zijn eigen bonenstaken, overal varkenshokken, konijnenhokken, geitenhokken, schuurtjes met een kruiwagen en een hoop versgesneden gras en een zeis in de hoek, elk huisje met zijn eigen mensen, vader en moeder met hun jongste in hun bedstee, de oudere kinderen sliepen in risjes op zolder en dan was er ook nog plaats voor een oude opoe of een gebochelde oom, en de dijk bruiste van het leven, vrouwen en kinderen op klompen, mannen op de fiets, boeren en kooplui met paard en wagen.

Nu: een bizarre leegte.

Als het ergens in Nederland stiller is dan voorheen, dan is het hier. Zelfs aan doorgaand verkeer heeft deze dijk vrijwel niets meer te bieden. En al die huisjes (op dat ene, dat van Daan de Meijer na) afgebroken, spoorloos.

Dus we lopen daar op de dijk en mijn vader somt ze op. Dat had hij thuis ook kunnen doen. Hij zit in Arnhem in zijn stoel bij het raam en hij hoeft zijn ogen maar dicht te doen of hij ziet het hele Rot voor zich. Maar nu, nu we hier lopen, komt er wat bij - een nijpend gevoel van afstand. Hoe kalm we ons ook verplaatsen, telkens moeten we de pas inhouden om die huisjes, die er niet meer zijn, gelegenheid te geven ons in te halen. Zo dicht stonden ze op elkaar.

Mijn vader noemt de namen op van de mensen die er woonden, niet hun namen voor de burgelijke stand, maar hun dorpsnamen, hun dialectnamen, namen in relatie tot andere namen, en soms last hij achter zo'n naam een pauze in en dan voegt hij er aan toe: “Een doodgoed mens was dat; die sprak geen kwaad en die deed geen kwaad.”

Kijk, als hij zegt dat hij z'n hele leven een gruwelijke hekel aan armoede heeft gehad, dan is dat ongetwijfeld tegen deze achtergrond, omdat hij hier heeft gezien wat armoede met mensen doet, hoe lelijk, dom en meedogenloos ze mensen maakt. Maar hij kan zijn buurtje niet afvallen. Hier zijn we toch uit voortgekomen. Dat wil zeggen dat er toch ook sprankjes van solidariteit en volharding en liefde moeten zijn geweest. Of, juist om die gruwelijke armoede te overwinnen, wel méér dan alleen maar sprankjes.

Het huisje van Tante, Atje en Lin? De dijk zelf, verhoogd en een kleinigheid verschoven, net even anders in de bochten en helemaal zonder bomen, geeft geen houvast meer. Maar gerekend naar de positie van een lantaarnpaal, gerekend naar de ligging van de kleiput aan de buitenkant (die trouwens lelijk aan het dichtgroeien is), zijn we al een meter of tien te ver.

Dus die meters lopen we terug en dan gaan we een tijdje met onze handen in de zakken in de leegte staan staren.

Ook de polder, waarop 't Rot ooit heeft uitgekeken, is in feite onherkenbaar. De percelen opgerekt, greppels gedicht, bosjes gekapt, drasjes en plasjes drooggelegd. Waar aardappels, voederbieten, suikerbieten en tarwe werden verbouwd, grazen nu koeien, schiet nu mais uit de grond.

Maar dit alles deert ons niet. Weemoed heeft een kapstok nodig en hier is geen kapstok meer, hier is gewoon niets meer, hier kun je alleen maar je schouders ophalen en een beetje lacherig vaststellen dat het wel heel grondig is opgeruimd, het Rot, dat verleden van ons.

Mijn vaders herinneringen beginnen in '25 ongeveer. Toen hij in '45 uit het dorp vertrok was er, zegt hij, niets veranderd. De oorlog had geen materiële schade gedaan. Dat er in die twintig jaar een paar huisjes waren verdwenen, was geen teken van opkomende welvaart. De laatste bewoner ging dood en dan ging zo'n huisje ook dood, dat was alles.

Wat mijzelf betreft: ik was hier in '46 voor het eerst, die zomer ging mijn moeder mij plichtsgetrouw aan de familie laten zien. Tegen 1960, toen ik veertien was, begon ik dit als het mooiste dorp van de wereld te beschouwen - en dat is het, in mijn herinnering, ook altijd gebleven. Toen was de armoede al een verhaal geworden - dat hebben we allemaal meegemaakt en vooruit maar, we leven nog.