Mededingingsautoriteit wil terecht concurrentie

De nieuwe Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), de waakhond voor gezonde concurrentieverhoudingen, heeft de financiële sector in het vizier. Directeur-generaal Kist van de NMa wil de joint venture tussen Achmea en Rabobank toetsen aan de mededingingswet. De Nederlandsche Bank (DNB) en de Verzekeringskamer reageren als door een adder gebeten. Zij claimen het monopolie van het toezicht op banken en verzekeraars, althans tot het jaar 2000. DNB en Verzekeringskamer beroepen zich op gemaakte afspraken. Maar wat is wenselijk?

Misschien hebben DNB en Verzekeringskamer procedureel wel gelijk, maar een onmiddellijke betrokkenheid van NMa is niettemin van groot belang. In de praktijk komen mededingingszaken niet aan bod bij DNB en Verzekeringskamer. Zij zijn er voor het bewaken van de soliditeit van financiële instellingen (prudential supervision).

Mededingingszaken laten zich hiermee moeilijk verenigen. Concurrentie versmalt immers de marges en kan uitnodigen tot onverantwoorde risico's, met alle gevolgen van dien. Dus DNB en Verzekeringskamer kiezen liever voor minder concurrentie: uitdijende marktdominante conglomeraten vallen immers niet zo snel om.

Maar concurrentie is gewenst. Het zorgt voor een effectievere werking, vernieuwing, tijdige herstructureringen en mogelijk ook betere weerbaarheid op de wat langere termijn. En uiteraard is een concurrerende financiële dienstverlening ook in het belang van de consument. Hier staat de NMa voor.

DNB en Verzekeringskamer moeten juist blij zijn met een onmiddellijk belangrijke rol voor de NMa. Zij kunnen zich dan concentreren op de toezichthoudende rol. Toch blijven de concurrentieverhoudingen van belang voor DNB en Verzekeringskamer. Moordende concurrentie vraagt immers om scherp toezicht.

Hoe staat het met de concurrentie op de Nederlandse markt? Binnen het bankwezen, inclusief beleggingsinstellingen (het primaat van DNB), is deze in redelijke mate aanwezig. De retail financiële dienstverlening (dus alles voor de consument, van betaalrekeningen en hypotheken tot beleggingsfondsen) heeft lage marges en is dus concurrerend.

Voor de corporate bancaire activiteit geldt dat in mindere mate, behalve dan voor de echt grote ondernemingen, die ook bij buitenlandse banken terecht kunnen. In internationaal verband steekt Nederland echter niet ongunstig af.

Voor het (levens)verzekeringswezen (het primaat van de Verzekeringskamer) is het beeld minder gunstig. De kostenposten, opgesloten in de vele spaar- en beleggingsproducten (lijfrentes, koopsommen) die verzekeringsmaatschappijen aanbieden, zijn een doorn in het oog. Verzekeringsmaatschappijen verrijken zich door grote (verborgen) marges in te bouwen in deze activiteiten. Kostenposten van 10 oplopend tot 25 procent van de ingelegde gelden zijn geen uitzondering.

Hieraan komt spoedig een (gedeeltelijk) einde. In de nieuwe belastingplannen van staatssecretaris Vermeend verliezen deze fiscaal-gemotiveerde producten hun fiscaal voordeel. Hiermee heeft de overheid dan eindelijk ingegrepen.

Toch is het jammer dat het op deze manier moest gebeuren. Verzekeringsmaatschappijen hebben door eigen toedoen een belangrijke slag gemist. Voor hen was een gouden toekomst weggelegd in het hele spaar- en pensioengebeuren. Zij zouden een sleutelrol kunnen vervullen in de flexibilisering van ons pensioensysteem. Koopsommen zijn immers een prachtig product waarmee iedere Nederlander zelf zijn pensioenopbouw kan bepalen.

Wat nu gebeurd is, is dat de flexibilisering van het pensioensysteem op de lange baan is geschoven. We zijn weer terug bij de traditionele, primair 'gezamenlijke' pensioenregelingen. Deze werken verstarrend en bieden weinig individuele flexibiliteit. Ook is de concurrentie op deze manier ernstig aangetast. In een bizar politiek compromis behouden pensioenfondsen hun exclusieve rol in de 'gezamenlijke' pensioenregelingen.

Zij mogen geen producten aanbieden die een individueel karakter hebben, bijvoorbeeld de grotendeels te vervallen koopsommen (lijfrentes). Voorzover individuele regelingen nog mogelijk zijn (en dit blijft voor bijvoorbeeld het opvullen van pensioengaten) moet dit via verzekeringsmaatschappijen.

Dit betekent 'terug naar af' voor ons pensioensysteem. Verzekeringsmaatschappijen en Verzekeringskamer valt veel te verwijten.

Een groot verschil tekent zich af tussen DNB en Verzekeringskamer. DNB heeft altijd grote nadruk gelegd op transparantie (zie het succes van beleggingsfondsen), terwijl de Verzekeringskamer zich meer heeft laten leiden door gedragscodes van de verzekeringsmaatschappijen zelf. Deze laatste hebben altijd op gespannen voet gestaan met transparantie, vandaar ook de jungle die verzekeringsmaatschappijen hebben gemaakt van de markt voor koopsommen.

Voor de toekomst is er een duidelijke les. Het afdwingen van transparantie is een zeer effectief instrument.

Het aardige is dat transparantie zowel goed is voor het toezicht als voor gezonde concurrentieverhoudingen. NMa enerzijds en DNB en Verzekeringskamer anderzijds kunnen elkaar dus vinden in de voor elk zo cruciale transparantie.