Koningskinderen; Ministers Van Aartsen en Korthals over het ministerschap van hun vader

Ze zijn minister en zoon van een minister. Hun vaders zaten begin jaren zestig samen in het kabinet-De Quay. Jozias van Aartsen (Buitenlandse Zaken) en Benk Korthals (Justitie) over het zijn van ministerszoon en over de verschillen tussen de politiek toen en nu. “De grootste zorg van mijn vader was dat ik hem niet in opspraak bracht.”

Benk Korthals: “Bij ons werd thuis niet over politiek gesproken. M'n vader was niet zo'n prater. Die ging altijd naar z'n werkkamer als-ie thuiskwam. Dat zal bij jouw vader ook wel geweest zijn. Vroeger hadden vaders altijd een werkkamer met een groot bureau en daar verdween ie dan. De politiek kwam alleen ter sprake als Maarten van Traa, die bij mij op school zat, met mij mee naar huis kwam. Maarten was helemaal gek van politiek en kwam ook meer voor mijn vader dan voor mij. Mijn vader vond dat overigens maar weinig aangenaam.”

Drs. H.A. Korthals, liberaal Kamerlid van 1945 tot 1959, was minister van Verkeer en waterstaat en vice-premier in kabinet-De Quay, tot 1963. Daarna werd hij lid van de Raad van State.

Jozias van Aartsen: “Bij ons thuis ging het juist heel vaak over politiek. Oh, absoluut: aan tafel werd bij wijze van spreken de agenda van de ministerraad besproken. 's Avonds was mijn vader meestal gewoon thuis en werd er gezamenlijk gegeten. Je ziet: wat nu de Zalm-norm heet was toen gebruikelijk. (Minister van Financiën Zalm heeft in een spraakmakend gesprek met het maandblad Opzij twee jaar geleden bepleit dat ministers als gewone werknemers om zes uur naar huis gaan, red.) In het weekeinde was hij wel vaak weg, naar deputatenvergaderingen van de Anti-revolutionaire partij. Mooi hè, de-pu-ta-ten-ver-ga-de-ring-en, zo heette dat toen nog.”

Mr. J. van Aartsen, wethouder in Den Haag, was van 1958 tot 1963 ARP-minister (eenmaal van volkshuisvesting, twee maal van verkeer en waterstaat) in de kabinetten Drees III, Beel II, De Quay en Marijnen. Daarna werd hij Commissaris van de Koningin in Zeeland.

Benk en Jozias, jochies nog, hebben elkaar voor het eerst ontmoet op een feestje van de Liberiaanse ambassade in Den Haag. Omstreeks 1960 moet dat geweest zijn. Als ministerszoontjes mochten ze daar opdraven bij een partij voor de zoontjes van de toenmalige president van Liberia. Die zaten op een kostschool in Engeland, waren even over in Nederland en kregen een officiële ontvangst. “Waarom weet ik nog steeds niet”, zegt Korthals.

Of Yvonne van Rooy, dochter van de toenmalige minister Van Rooy, later zelf politica en inmiddels bestuursvoorzitter van de Universiteit van Tilburg, er die dag bij was weten zij niet meer. Ben Bot, nog een ministerskind uit het kabinet-De Quay dat het ver heeft geschopt - hij is Nederlands permanente vertegenwoordiger bij de Europese Unie en in die hoedanigheid een ambtenaar onder Van Aartsen - kwamen Benk en Jozias destijds ook al regelmatig tegen. Met de zoon van minister Marijnen, Michel, heeft Korthals nog lang vriendschappelijke contacten onderhouden. “Die jongen is nu burgemeester van Roosendaal. Maar ja, CDA-er hè, dus een beetje buiten beeld geraakt.”

Van Aartsen, 50 jaar inmiddels: “Ik kan me er niets meer van herinneren.”

Korthals, 53 jaar: “Ik wel, wij voerden daar al enorme conversaties op niveau.”

De Anna Pavlova-salon van hotel Des Indes vult zich met hun gelach. De ministers Van Aartsen en Korthals spreken geanimeerd over hun verleden. Maar van romantiseren houden ze niet.

Of hun vaders - beiden overleden - trots geweest zouden zijn dat hun zonen het nu ook tot ministers hebben geschopt?

Korthals: “Ik heb die sentimentele gevoelens helemaal niet. Ik weet niet hoe dat bij jou is?”

Van Aartsen: “Ik denk wel dat hij het fantastisch zou hebben gevonden. Maar het is absoluut niet zo dat hij over mijn schouder meekijkt en dat ik voortdurend denk: Wat zou hij ervan vinden?”

Korthals: “Ik weet niet eens of hij wel trots geweest zou zijn. Mijn vader heeft mij nooit in deze richting gestimuleerd, eerder het tegendeel. Hooguit zal hij blij zijn dat ik een baan heb.”

Allebei hebben ze thuis de hitte van de politiek ervaren. Antirevolutionaire Kamerleden dwongen Van Aartsen sr. in de laatste dagen van 1960 tot aftreden, in wat later de jenevercrisis is gaan heten. In een lange schorsing van een Kamerdebat over de bouw van extra woningwetwoningen leidde drankgebruik in de ARP-fractie tot een verhitte stemming. Daarna lieten de anti-revolutionairen hun minister van Volkshuisvesting vallen en sneuvelde het kabinet.

Jozias van Aartsen heeft het als jongen van twaalf met eigen ogen gezien. Hij was in die dagen al geregeld op de publieke tribune van de Tweede Kamer te vinden. Later heeft hij wel eens gezegd dat hij juist die dag definitief voor de politiek is gevallen. De 'wildebeestenlucht', die oud-D66-voorman Van Mierlo bij spannende debatten in het Kamergebouw meent te ruiken, drong ook de neusgaten van Van Aartsen binnen. En die geur beviel hem. Maar in huize Van Aartsen heeft het gedwongen aftreden van vader nog lang de sfeer verpest, ook al werd de breuk in het kabinet na enkele weken alweer gelijmd.

Van Aartsen: “Mijn moeder is toen afgeknapt op de politiek. Zij vond het zo vreselijk wat er gebeurde. Ze kon dat niet zien als politiek theater dat er nu eenmaal bijhoort, zij zag het als een persoonlijke aanval, als een volstrekte desavouering van m'n vader. Dus over politiek weigerde zij nog te praten. Zij heeft lang in deze houding volhard. Als mijn vader en ik later in Middelburg (toen Van Aartsen senior Commissaris der koningin in Zeeland was geworden, red.) over politiek spraken, trok zij zich altijd terug. Pas na de dood van mijn vader veranderde dat. Zij ziet, leest en hoort nu meer dan ik.”

Korthals sr., een vrijzinnig liberaal en kroonprins van de liberale leider Oud, liep in 1962 het leiderschap van de VVD mis. In huize-Korthals werd dit wel gevoeld maar niet besproken.

Korthals: “Het is jammer, want ik denk dat D66 nooit zou zijn ontstaan als mijn vader in die tijd aan het hoofd van de VVD had gestaan. Hij was paars avant la lettre. Met zo'n VVD zou D66 niet nodig zijn geweest. Maar ja, Mijn vader zag de conservatieve Van Riel (fractieleider van de VVD in de Eerste Kamer, red). niet zo zitten en had geen zin voortdurend ruzie met hem te moeten voeren. Hij heeft toen bedankt voor het fractieleiderschap en is naar Engeland afgereisd. Van hem heb ik er nooit wat over gehoord, van m'n moeder heb ik later wel begrepen dat hij verrast was dat Toxopeus vervolgens ineens wel 'ja' had gezegd.”

Toevallig was het deze zelfde Edzo Toxopeus die de jonge Jozias Van Aartsen zes jaar later aan zijn eerste - als tijdelijk bedoelde - baan zou helpen. Op een moment dat het niet zo vlotte met de studie van Van Aartsen kwam zijn vader op een reünie van het kabinet-De Quay zijn oude collega Toxopeus tegen. Het was inmiddels 1969, Toxopeus was Commissaris der Koningin in Groningen geworden. Toxopeus zei dat hij voor Jozias nog wel een baantje wist: assistent bij de VVD-fractie. In 1970 ging de rechtenstudent er aan de slag. Dat Jozias van Aartsen uit een ARP-nest kwam en geen aantoonbare affiniteit met de liberale beginselen had, vond de toenmalige VVD-fractievoorzitter, Molly Geertsema, geen probleem. “Dat komt later wel”, meende hij.

Van het toenmalige hoofd van het fractiesecretariaat, Annelien Kappeyne van de Copello, kreeg Van Aartsen het klassieke boek over de Nederlandse parlementaire geschiedenis, Honderd jaren van oud-fractievoorzitter Oud. Zo werd hij langzaam maar zeker voor het liberalisme gewonnen. En toen Geertsema in 1971 minister werd en de jonge Hans Wiegel het fractievoorzitterschap op zich nam, werd de weg terug definitief afgesloten. Wiegel maakte namelijk grote indruk op Van Aartsen, die zich vervolgens ontwikkelde tot diens rechterhand. Vele malen trokken de fractievoorzitter en diens jonge assistent zich terug om te brainstormen op de Friese boerderij van Wiegel. Toen Wiegel later minister van Binnenlandse Zaken werd, kreeg Van Aartsen op dat ministerie een baan als chef de bureau van de secretaris-generaal. Hij zou er verder ambtelijk carrière maken totdat hij in 1994 aangezocht werd als minister van landbouw.

Ook de loopbaan van Korthals is nauw verbonden met die van Wiegel. Korthals werd halverwege de jaren zeventig, na het overlijden van zijn vader, lid van de VVD. Omdat hij vond dat “je in die jaren eenvoudig niet anders kon”. Het waren de jaren van het door sommigen bejubelde maar voor Korthals ergerniswekkende kabinet-Den Uyl. En de jaren van de eloquente oppositie van Wiegel. Via de VVD-afdeling in Rotterdam, waarvan hij in 1976 voorzitter werd, kwam Korthals in 1982 in de Kamer. Hij is, totdat hij zes weken geleden minister werd, nooit full-time politicus geweest. Op maandag en vrijdag was hij actief als advocaat en procureur bij het Rotterdamse kantoor Kneppelhout & Korthals.

Is het een voordeel of een nadeel, een minister als vader? Ze aarzelen allebei.

Van Aartsen: “Ik weet dat niet. Voor iedereen waar de politiek aan huis komt - daar hoeft je vader geen minister voor te zijn - geldt dat politiek heel indringend kan zijn. Zoals een van m'n zoons zei toen ik minister werd: Met dat gedoe wil ik nooit iets te maken hebben.”

Korthals: “Ik heb dat zelf ook gehad. Ik wilde ook niets met de politiek te maken hebben. Ik werd geen lid van de JOVD, want daar was m'n vader nog erelid. En ik werd in die tijd ook geen lid van de VVD, waarbij mijn vader nog betrokken was.” Mogelijke praktische voordelen - vader Van Aartsen die zijn zoon aan een baan bij het parlement helpt - wuiven ze weg.

Wat ze wel meegekregen hebben is een gevoel voor de betrekkelijkheid van de politiek.

Korthals: “Als het goed gaat heb je in de politiek veel vrienden als het je minder gaat is dat snel over. Bij mij thuis was de houding sterk: doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg. Ik weet dat ik eens geweldig op m'n falie kreeg. Ik zat toen in de tweede klas van de lagere school, m'n vader was Kamerlid en ik zei tegen een klasgenootje: 'Mijn vader is hoger dan jouw vader.' Nou, dat is er direct uitgeramd. Iedereen was voor mijn ouders gelijk.”

Van Aartsen: “Het is heel goed om dicht bij huis meegemaakt te hebben dat politiek niet zaligmakend is. Je staat daardoor iets vrijer in het leven. Mensen zeiden tegen me: 'Wat moet jij een vreselijk weekeinde hebben gehad toen Frits Bolkestein in de slotfase van de kabinetsformatie akkoord leek te gaan met een verdeling van portefeuilles, waarbij de VVD Buitenlandse zaken niet kreeg. Ik heb daar toen kennis van genomen, zo van: 'Nou, dan ga ik gewoon vier jaar in de Kamer zitten'. Dat schijnt heel vreemd te zijn.”

Ze zitten er net zes weken en het gevoel van opwinding over het nieuw verworven ministerschap is nog groot. Neem alleen al de relatie met de pers, die is heel anders dan in de tijd van hun vaders.

Van Aartsen: “In die periode had de NRC nog paginalange Kamerverslagen. Kom daar nu maar eens om. Wie weet nog precies wat er in de Kamer gebeurt? Wie heeft er nog een overzicht van al die AO's die tegenwoordig plaatsvinden? (Een Algemeen Overleg is een bespreking tussen minister en fractiespecialisten, red.) Dat leidt ertoe dat het instantgebeuren een enorme betekenis krijgt. Wat ik altijd zo interessant vind is dat een probleem dat gisteren van de buis knalde, overmorgen volstrekt weg kan zijn. Onderwerpen komen ook inens weer terug, waarbij opvalt dat iedereen dan weer bij nul begint. Ik heb dat bij de Varkenspest meegemaakt. Mijn ervaring is dat informatie die eerder is overgedragen na twee maanden niet meer bekend is. Dat heeft trouwens voor- en nadelen. Je kunt weer gewoon hetzelfde verhaal houden.”

Hoe gaan zij met de media om?

Van Aartsen: “Op Landbouw heb ik na mijn aantreden een paar maanden m'n mond gehouden. Ik kreeg van alle kanten kritiek tot partijgenoten toe: 'die man doet niets, die zie je niet, wat hebben we daaraan', werd er gezegd . Maar ik vind het belangrijk om als minister op zoek te gaan naar een aantal langere lijnen, een framework waarbinnen je je opvattingen neerzet. Maar nee, je moet meteen overal een mening over hebben. Nou, dat vind ik dus niet. Waarom zou ik dat altijd moeten doen? Waarom zou ik op iedere hik en boer uit het vaderland moet reageren?”

De meegekomen voorlichter van Buitenlandse Zaken komt tussenbeiden. “Daar zijn ook andere woorden voor”, adviseert hij de minister. Van Aartsen: “Waarom? Dit is toch welsprekend?”

Korthals: “Een minister die overal op reageert wordt de speelbal van de pers. Moet ik nou bij iedere gevangene die ontsnapt op de televisie verschijnen? Ik zou denken van niet: de mensen moeten weten dat ik het erg vind en welk beleid ik voer om ontsnappingen te voorkomen. Daar gaat het om.”

Politici operereren tegenwoordig in een wereld waarin de media hun zakelijke en privé-gedragingen steeds nauwer volgen. Is het vak van politicus daarmee moeilijker geworden dan ten tijde van het kabinet-De Quay?Korthals: “Als ik bedenk hoe mijn vader zich zorgen maakte over het gedrag van zijn kinderen, dat wij als familie een smetteloos gedrag moesten vertonen omdat hij anders moest aftreden, dan was dat ook best moeilijk. De grootste zorg van mijn vader was dat mijn gedrag hem niet in opspraak bracht.”Politici vragen tegenwoordig zelf openlijk ruimte voor hun privé-leven. Hans Wijers zegde als minister een overleg met de Tweede Kamer af wegens de verjaardag van zijn dochter; Thom de Graaf hield de kabinetsformatie enkele dagen op omdat hij zijn gezin naar een vakantieadres in Frankrijk moest brengen.

Korthals: “Ik probeer als m'n kinderen jarig zijn thuis te zijn. Maar lukt het niet, dan lukt het niet. Dan vieren we dat het weekeinde erna wel.”

Van Aartsen: “Het ministerschap slokt je op - ook op momenten dat je er niet fysiek mee bezig bent laat het je niet los. Je moet af en toe tijd vrij maken, ik kan dat gelukkkig wel. Laatst ben ik nog naar een ouderavond van een van m'n zoons geweest. Dat vind ik heerlijk. Je hoort over studiehuis en profielen, dingen waar je anders alleen maar theoretisch mee bezig bent.”

Zien zij zich ook een overleg met de Kamer afzeggen omdat een van hun kinderen jarig is?

Korthals: “Ik zou het niet doen.”

Van Aartsen: “Ik denk dat het niet werkt. Als alle ministers het zouden doen, zou de Kamer snel zeggen: daar moeten we het eens over hebben.”

Nemen ze de politiek zelf mee naar huis?

Korthals: “Ik lijk op m'n vader.”

Van Aartsen: “Ik heb de neiging om thuis regelmatig, zoals ik dat noem, af te laden. Ja, dat horen m'n kinderen dan ook. M'n jongste zoon vind het allemaal wel interessant wat hij over de politiek hoort, de anderen vinden het uiterst gênant dat hun vader minister is.”

Wat mogen mensen van hen weten, hoe ver stellen ze hun privédomein open? Ad Melkert was laatst op televisie al in zijn keuken te bewonderen.

Korthals raillerend: “Langzamerhand ontkom je er niet meer aan. Ik denk dat ik me ook maar in dat circuit ga begeven. Nee, serieus: In de politiek gaat het niet om mij, maar waar ik voor sta. Programma's als Sterrenslag heb ik altijd onzinnige programma's gevonden, terwijl ik zeker in mijn beginjaren als Kamerlid toch behoorlijk sportief was.”Als minister ligt het iets anders: je moet je beleid ook verkopen, vinden ze.

Van Aartsen, met een vies gezicht: “Maar dan ga je niet opeens joggen op de buis.”

Waar ligt de grens van het privé-domein? Een collega van hun vaders, minister van defensie Sydney van den Bergh, moest in 1959 aftreden omdat hij als weduwnaar een relatie met een getrouwde vrouw had. Hoe denken zij over de aanmoediging van de christen-democraat Hillen om promiscuïteit in de politiek te benoemen?

Van Aartsen zuchtend: “Ik vind het te onzinnig om over te praten.”

Korthals: “Wat tot het privé-domein wordt gerekend is in de politiek heel rekbaar. Je kunt alles politiek relevant maken. Dat zie je in Amerika.”

Van Aartsen: “Dat is zo'n vertoning. Ik heb me voorgenomen daar geen woorden aan vuil te maken. Dus dat doe ik nu ook niet.”