Juist kwijnende muurbloempjes hebben liefdevolle aandacht nodig

De overheid springt financieel bij in de culturele sector. Max Bruinsma juicht dat toe, maar vindt het hypocriet dat de politiek, die zegt niet te willen oordelen over de kwaliteit van kunst, zich wel uitspreekt over de prijs.

In politiek Nederland heerst, als het over kunst gaat, een vervelende vorm van hypocrisie, die in toenemende mate cynische trekjes krijgt. Natuurlijk, we zijn al heel lang een volk van kruideniers dat, om met de nieuwe staatssecretaris voor Cultuur te spreken, die het weer van Oscar Wilde heeft, van alles de prijs weet en van niets de waarde.

Op zichzelf is een dergelijke materialistische waardering van en voor kunst niet huichelachtig - of je nu schilderijen of brood koopt of verkoopt, je zou slecht voor je zaken zorgen als je niet scherp op de centen zou letten. Van 'Brood des Levens' kan de kachel niet branden. Anders wordt het, wanneer je sinds mensenheugenis, als het over kunst gaat, varianten prevelt van de frase 'omdat het moet'.

Omdat een groot goed als de kunsten niet geheel mag worden overgelaten aan de smaak van de elite en de macht van de markt, reserveert de overheid jaarlijks een, relatief overigens vrijwel te verwaarlozen, deel van haar inkomsten voor 'de kunsten', en herhaalt eveneens jaarlijks de mantra van Thorbecke dat zij zich niet met de inhoud van die kunsten mag bemoeien. Geen partij, geen politicus (afgezien dan van Hedy d'Ancona in haar hoogbevlogen begindagen als minister), die daaraan ooit heeft durven tornen. De overheid beschermt de kunst tegen de vervlakkende werking van de markt, en mengt zich niet in het inhoudelijk debat. Die bemoeienis is gedelegeerd aan een - laten we nu maar even aannemen - buitengemeen doorwrocht systeem van fondsen en commissies waar, in uiterst tijdrovende procedures, zorgvuldige beslissingen worden genomen.

Op papier lijkt dus alles in orde: kunst moet, al is het geen vetpot, en het gaat niet altijd van harte en zeker niet gesmeerd. Maar wat wil je: Nederland is geen wereldmacht meer, zoals in de zeventiende eeuw, ook niet op cultureel terrein. En natuurlijk, we blijven een land van egalitaire kooplui, dus telkens wanneer meer dan bij wijze van spreken een paar tientjes aan kunst wordt uitgegeven, volgt een discussie over de vraag of dat allemaal nou wel moet, die gekkigheid. Het heeft soms ook wel iets schattigs, die onhandigheid als het over kunst gaat.

Iets minder schattig wordt het, wanneer de overheid in haar standpunt in die discussie argumenten gaat ontlenen aan dezelfde 'marktwerking' die zij nu juist zegt te willen compenseren: 'Als de mensen het niet willen zien, waarom zouden we het dan ondersteunen?' Bij dergelijke vragen, hoe logisch ze ook lijken vanuit een economisch perspectief op wat in een ander verband 'immateriële waarden' heet, begint de hypocrisie.

Iedere politicus zal het met mij eens zijn dat kunst iets anders is dan 'brood en spelen' en dat de 'publieke factor' in het ene geval essentieel en in het andere geval van bijkomend belang is. Wordt Victory Boogie Woogie een museale winkeldochter wanneer er minder dan honderdduizend mensen per jaar naar komen kijken? Of bij minder dan tienduizend, of minder dan duizend? Gaat een Kamerlid ons dan uitleggen dat een toegangskaartje voor het Haags Gemeentemuseum 'eigenlijk' omgerekend ettelijke honderden guldens per bezoeker kost, en dat dat 'toch van de gekke' is?

Hypocriet is het om een dergelijke redenering niet bij de ene kunstvorm te hanteren en wel bij de andere. Niet de clichématige indruk dat 'slechts' een elite van opera geniet en dat die de vierhonderd gulden per stoel zelf wel moet kunnen ophoesten, moet van doorslaggevend belang zijn. Het gaat hier om in de regel onbetwist cultuurgoed dat zonder subsidiëring alleen voor de geldelite bereikbaar is (en die valt allang niet meer samen met de culturele elite). Wie, zoals de staatssecretaris van Cultuur, suggereert dat de toegangsprijzen voor de opera en het Concertgebouw wel omhoog kunnen, zegt tegen mij: ga maar een cd kopen of wacht tot het op de BBC komt. Hypocriet op het cynische af is het, om in het ene geval te suggereren van iets de waarde te weten, en het vervolgens vooral over toegangsprijzen te hebben.

Het is hypocriet dat de politiek, die zegt zich als het gaat om kwaliteit en prijsbeoordeling van kunst te richten naar de deskundigen aan wie zij dat oordeel heeft gedelegeerd, zich gaat uitspreken over een enkele dure kunstvorm of een enkel duur werk. In het geval van Victory Boogie Woogie is het cynisch, wanneer daarbij het wettische argument van het budgetrecht wordt gehanteerd.

Het is hypocriet om enerzijds te bezweren dat er geen enkele reden is te twijfelen aan de waarde, noch de marktwaarde, noch de culturele wenselijkheid van de aankoop van de Mondriaan, en anderzijds te sputteren over procedures. Hier heeft een kleine elite van bestuurders en kunstkenners, achter gesloten deuren, besloten iets te doen dat in dit geval waarschijnlijk op weinig andere manieren had kunnen worden gerealiseerd. Is dat kwalijk? Alleen als men er vanuit gaat dat in een samenleving als de onze over werkelijk absoluut niets meer enige mate van apriori overeenstemming zou bestaan. Dat dus alles in onze samenleving het resultaat dient te zijn van een in het politieke en bestuurlijke proces bereikte consensus. Dan zou men dus een debat moeten voeren over eenMondriaan versus twee Rembrandts, of een Mondriaan versus een Fotomuseum en twee Gerard Dou's, of een Mondriaan versus drie opera's en een uitbreiding van de thuiszorg.

De uitkomst van een dergelijk debat is een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid: geen Mondriaan. En toch heb ik geen enkele politicus serieus horen beweren dat we die Mondriaan niet hadden moeten kopen. Dat de politiek zich nu gepasseerd voelt en zich decompenseert in de meest dorre boekhouderfixaties, is geen teken van zorgvuldigheid - het is een teken van frustrerend onvermogen zich ook maar één moment te kunnen voorstellen dat er waarden zijn die de letter van het poldercompromis ontstijgen. Dat De Nederlandsche Bank en het kabinet die ruimte van geest wel hebben gehad, stemt mij tot dankbaarheid èn geeft me te denken. Parlementariërs die nog grotere regelneven zijn dan bankdirecteuren en de minister van Financiën?

Het is Den Haag op zijn platst.

In zijn 'State of the Union' vraagt Rick van der Ploeg zich af of de hoge subsidiebedragen voor 'elitecultuur' zich wel verdragen met hun geringe publieksappèl en met de gedachte dat 'Ikea, Hennes & Mauritz, de Free Record Shop, Libris en The Music Factory' een grotere culturele invloed hebben dan 'het Concertgebouw, Kröller-Müller, De Nederlandse Opera en de stadsschouwburg'. Dat is wel erg kort door de bocht (en in een perpectief dat ruimer is dan een regeerperiode ook flagrant onjuist), maar vooruit, het is een populaire notie dat de grenzen tussen traditionele 'high art' en 'low art' doorlaatbaar worden. Dat mag verheugend zijn, maar het levert ook een - potentieel gevaarlijke - verwarring op. Goede kunst is duur, en niet iedereen vindt alles even mooi. So far, so good, maar als je vindt dat The Rolling Stones en Wagners Götterdämmerung van vergelijkbare kwaliteit zijn, leid je dan uit het feit dat de Stones toegankelijker zijn (want meer en goedkopere plaatsen) af dat je de Götterdämmerung moet subsidiëren? Of leid je uit het feit dat er bij de opera minder en rijkere mensen komen af dat we Wagner met een gerust hart aan de elite kunnen overlaten? Of vind je dat, aangezien de Stones slechts een halve eeuw oud zijn en Götterdämmerung een eeuw ouder, Jagger & co een belangrijker focus voor cultuurbeleid zijn dan Wagner? Van der Ploegs verwarring van culturele, economische, historische en sociale aspecten van kunst leidt tot een uiterst onsamenhangend betoog dat uitmondt in een al even rulle handvol aanbevelingen.

Een 'derde weg' tussen markt en subsidie, 'cultureel ondernemerschap', een 'outgoing-houding' - het getuigt allemaal van weinig begrip, noch van de kunstmarkt, noch van de actuele kunst, noch van de spanning tussen kunstsoorten, -vormen en media, noch van wat in de kunsten van werkelijke waarde is. Wat werkelijk van waarde is, voor iedereen, keuzevrijheid.

Wat Van der Ploeg waarschijnlijk (hopelijk) niet bedoelt, maar wel suggereert in zijn betoog, is dat de 'elitecultuur' op kosten leeft van de 'populaire' cultuur, dat te veel geld aan kunst voor weinigen wordt uitgegeven, terwijl de massa het met de markt moet doen. Kunstenaars zouden getuigen van een dédain voor die markt en de massamedia. Maar er zijn twee manieren om op enige publieke schaal in deze markten mee te spelen: of je levert geld op, of je neemt geld mee. Talloze kunstenaars die niets liever zouden willen dan hun publiek via deze markten aan te vullen, maken er om die reden geen schijn van kans.

Het zijn uiteindelijk niet de kunstenaars, die zich niets van de markt aantrekken - het is de markt, die zich niets aantrekt van de meeste kunstenaars, of ze nu twee eeuwen oude muziek maken of gloednieuwe videokunst. Om die reden, en omdat nog geen politicus gezegd heeft dat kunst een simpele kwestie van vraag en aanbod is, moet het kunstbeleid 'een zaak om zichzelf' zijn. Wanneer Van der Ploeg het tegendeel zegt dan begeeft ook hij zich op het hellend vlak van de in Nederland zo kenmerkende huichelachtigheid als het over kunst gaat. Want waarom zou je een prachtig idee als de kunstvouchers voor scholieren bedenken als je niet zou vinden dat het stimuleren en bevorderen van kunst een zaak op zichzelf is? Waarom zou je scholieren die vierhonderd gulden voor een operakaartje cadeau doen, maar de programmering van de Opera overlaten aan die zeer kleine elite die de rest van de plaatsen kan betalen, en wier smaak dus doorslaggevend zal zijn voor het aanbod.

De meeste kunst, ook de meeste 'topkunst', is kwetsbaar en verlegen. De spanning tussen de kwetsbaarheid van het ene en de populariteit van het andere los je niet op door publieksgroepen uit elkaar te spelen, of door de argumentatief zeer aanvechtbare (of eigenlijk onzorgvuldige) constructie van een dreigende 'tweedeling tussen de gesubsidieerde wereld van de traditionele kunst en cultuur voor de elite en de vaak commerciële cultuur voor de massa'. Wanneer je de kunstwereld per se met een disco wilt vergelijken, zou ik het van een groter verantwoordelijkheidsgevoel vinden getuigen om de uitbundige dansers hun limelight te laten, en je liefdevol over de in het duister kwijnende muurbloempjes te bekommeren. Ze zijn veeleisend maar je weet nooit hoe ze opbloeien van wat interesselose aandacht.