EEN DAG DUURDE 620 MILJOEN JAAR GELEDEN NOG GEEN 22 UUR

De aarde ondervindt bij de draaiing rond haar as een wrijving, die ertoe leidt dat een volledige omwenteling steeds langer duurt. Een dag duurt daarom (gemiddeld, want ook in de rotatiesnelheid van de aarde treden kleine fluctuaties op) steeds langer. De toename gaat zo langzaam dat hij niet direct is te meten, maar in de loop van de geologische tijd is er wel degelijk sprake van significante veranderingen. Zo blijkt de dag ca. 620 miljoen jaar geleden 21,9 uur te hebben geduurd (met een mogelijke afwijking van zo'n 24 minuten). Dat blijkt uit onderzoek van oude getijden-afzettingen dat door een Australische geoloog in het septembernummer van Sedimentary Geology wordt beschreven.

Uiteraard was er in de onderzochte gesteenten geen directe klok ingebouwd, dus de berekende uitkomst is indirect verkregen. Daarbij is gebruik gemaakt van een aantal astronomische gegevens, onder meer de interactie van de oceanische watermassa's met de maan. Van belang daarbij is dat de maan langzaam van de aarde 'wegdrijft', wat geschiedt met een gemiddelde snelheid van 21,6 mm per jaar (met een mogelijke afwijking van 3,1 mm), ook weer vanaf het moment waarop de onderzochte getijden-afzettingen zijn ontstaan.

De onderzochte afzettingen (de zogeheten Elatina-Reynella ritmieten uit Zuid-Australi¨e) bestaan uit zeer fijne laagjes van iets fijner en iets grover materiaal. De setjes van steeds een fijnkorrelig en een iets minder fijnkorrelig laagje weerspiegelen elk een getijdencyclus.

Natuurlijk zijn er destijds, net als nu, soms een of meer setjes verdwenen als gevolg van erosie. Het aantal setjes dat binnen een maand ontstond was dus wel steeds gelijk, maar het 'gefossiliseerde' aantal kan vari¨eren. Doordat de getijdenbeweging een maandelijkse cyclus in intensiteit vertoont, ontstaat er een systematische fluctuatie in de dikte van de afzonderlijke laagjes. Zo kan worden vastgesteld hoeveel laagjes er binnen een bepaalde maand maximaal zijn gevormd; zijn er minder aanwezig, dan moeten er dus setjes zijn verdwenen door erosie. Op vergelijkbare wijze kan in principe ook een jaarcyclus worden vastgesteld, maar daarbij is het nog moeilijker om de afzonderlijke cycli precies van elkaar te onderscheiden.

Uit de tellingen van het onderzochte pakket dat gedurende zestig jaar moet zijn gevormd, kan worden berekend dat er destijds 30-31 dagen in een maand gingen, dat een jaar 26,1 of 26,2 cycli van doodtij en springtij per jaar kende (met een mogelijke afwijking van 0,2) en dat het astronomische jaar 13,1 (0,1) astronomische maand duurde.

Omgerekend betekent dit dat er 620 miljoen jaar geleden 400 (7) dagen in een jaar gingen en dat er 21,9 (0,4) uren in een dag gingen.