BODEMMONSTERS VAN LOCH NESS WERPEN NIEUW LICHT OP KLIMAAT

Met behulp van twee boringen zijn aan Loch Ness enkele interessante gegevens ontfutseld (Palaeogeography, palaeoclimatology, Palaeoecology, 140). Niet dat er in de aangeboorde afzettingen sporen van het beruchte monster werden aangetroffen, maar wel werden er geheel nieuwe gegevens verkregen over klimaatwisselingen die na de laatste ijstijd hebben plaatsgevonden. De boorkernen, die beide ongeveer 6 m lang waren, bevatten ongeveer 4,5 m gyttja, een soort mengsel van fijne slibdeeltjes en - ook zeer fijn verslagen - veen. Onder dit pakket werd een klei zonder structuur aangetroffen die geen noemenswaardige informatie opleverde.

De gyttja deed dat echter des te meer. Het aangeboorde sediment bleek opgebouwd uit fijne laminae (dunne laagjes) die elk dezelfde cyclusvertonen: een onderste donker deel met veel klei (deeltjes kleiner dan 2 micron) en een bovenste, lichter gekleurd deel met vooral silt (korrels tussen 2 en 64 micron). Volgens de onderzoekers moet het onderste deel van de laminae gevormd zijn gedurende de periode van lente tot herfst, terwijl het bovenste deel afzetting gedurende de winter voorstelt.

Daarmee lijken deze veenhoudende afzettingen in veel opzichten op de vooral uit Scandinavi¨e bekende warven, die echter geen of nauwelijks organisch materiaal bevatten. De Scandinavische warven hebben een grote rol gespeeld (en doen dat nog) bij de datering van sedimenten uit het einde van de laatste ijstijd en kort daarna, simpelweg door het tellen van deze 'jaarringen' en het aan elkaar koppelen van verschillende gebieden door de relatieve diktes van warven-opeenvolgingen in detail met elkaar te vergelijken (zoals dat ook gebeurt bij dateringen op grond van jaarringen in oud hout). Dit proces is echter moeizaam doordat niet altijd goede 'overlaps' bekend zijn en omdat kennelijk soms geen afzettingen werden gevormd. Als gevolg daarvan kent de Scandinavische warven-datering soms discrepanties van enkele eeuwen met andere dateringen.

In Loch Ness bevat het sediment veen dat met de C14-methode kan worden gedateerd, zodat er een directe correlatie bestaat tussen de afzonderlijke laagjes en de radiometrische ouderdom. Het blijkt daarbij inderdaad om 'jaarlaagjes' te gaan. De oudste daarvan, vlak boven de ongestructureerde klei, blijken ongeveer 9.500 jaar oud te zijn, wat betekent dat ze slechts een paar eeuw na het 'offici¨ele' einde van de ijstijd ontstonden. De dikte van de laagjes weerspiegelt de aanvoer van materiaal in het meer - en de mate van begroeiing en de erosiesnelheid in de omgeving - en dus ook (indirect) het klimaat.

Omdat Loch Ness sterk onder invloed staat van de Atlantische Oceaan, weerspiegelen de sedimenten de klimatologische veranderingen beter dan meer centraal binnen Europa gelegen meer-afzettingen. Dat betekent dat voortgezet onderzoek van de bodem van Loch Ness het inzicht in de klimatologische ontwikkeling van Noordwest-Europa sinds de laatste ijstijd in aanzienlijke mate kan verdiepen.